Posts tonen met het label De 50 beste gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label De 50 beste gedichten. Alle posts tonen

De 50 beste gedichten (34) – C.A. Trypanis – Edfou (1972)

Ik heb bij eerder poëzie-commentaar al wel eens vermeld dat het struinen door tweedehands boekwinkels een van mijn favoriete activiteiten is. Wat dat betreft ben je in Sydney in Gould’s op de juiste plaats. Een enorme boekenhal waaromtrent ik ook al eens melding heb gemaakt, aan het begin van de hippe inner-West suburb Newtown. Voor boekenliefhebbers in Sydney is Gould – de

De 50 beste gedichten (33) Norman MacCaig - Aunt Julia

Aunt Julia spoke Gaelic
very loud and very fast.

I could not answer her—

I could not understand her.


She wore men’s boots

when she wore any.

—I can see her strong foot,
stained with peat,
paddling with the treadle of the spinningwheel

while her right hand drew yarn

marvelously out of the air.

Hers was the only house

where I’ve lain at night
in the absolute darkness
of a box bed, listening to

crickets being friendly.


She was buckets

and water flouncing into them.

She was winds pouring wetly

round house-ends.

She was brown eggs, black skirts

and a keeper of threepennybits
in a teapot.


Aunt Julia spoke Gaelic

very loud and very fast.

By the time I had learned

a little, she lay

silenced in the absolute black
of a sandy grave

at Luskentyre.
But I hear her still, welcoming me

with a seagull’s voice

across a hundred yards
of peatscrapes and lazybeds
and getting angry, getting angry

with so many questions unanswered.

“All I write about is what's happened to me and to people I know, and the better I know them, the more likely they are to be written about.”

Norman MacCaig (1910 – 1996) geldt als een van de beste dichters die Schotland in de 20e eeuw heeft voortgebracht, een oordeel waar ik me absoluut in kan vinden. Als ik de gedichten van MacCaig lees treft mij elke keer weer hun helderheid, hun subtiele humor en de louterende rust die uitgaat van de beelden die hij zo overtuigend op de lezer weet over te brengen.

MacCaig dichtte over dat wat hij wist en wat hem raakte. Daarbij stond het landschap en de bevolking van met name het Schotse platteland centraal. MacCaig werd geboren in Edinburgh, de stad waar hij ook het grootste deel van zijn leven zou wonen. Maar de vakanties bracht hij het liefst door in zijn geliefde Schotse hooglanden en in Aunt Julia overheersen de warme herinneringen aan zijn logeerpartijen bij zijn favoriete tante die met haar simpele levensstijl symbool staat voor de ‘gewone’ Schotse man en vrouw van het platteland waar MacCaig zo’n hoge achting voor had.

Die liefde voor het Schotse land en haar bewoners keert ook terug in zijn referenties aan directe fysieke gewaarwordingen. De tweede strofe uit Summer Farm is een illustratief voorbeeld:

A hen stares at nothing with one eye,
Then picks it up. Out of an empty sky
A swallow falls and, flickering through
The barn, dives up again into the dizzy blue.


MacCaig behaalde in 1932 zijn ‘Honours degree’ in de klassieke talen, maar voor hem verbleekt die kennis vergeleken met de met zoveel bewondering en fascinatie gadegeslagen natuur. ‘I don’t learn much, I’m a man/ of no improvements. My nose still snuffs the air/ in an amateurish way’, zo zegt hij in het zelfportret Ineducable Me, waar dezelfde fascinatie spreekt uit de laatste strofe: ‘How I admire the eider duck that dives/ with a neat loop and no splash and the gannet that suddenly/ harpoons the sea.’ (gannet: jan-van-gent [soort zeevogel])

De poëzie van MacCaig is een poging de tijd stil te laten staan of zelfs terug te gaan in de tijd. ‘I sit with my back to the future, watching/ time pouring away into the past.’ Zo zegt hij in Crossing the border. Die terugkeer in de tijd geldt zeker voor dit warme portret van Aunt Julia, die ook kort terugkeert in het wat langere zelfportret Return to Scalpay:

Aunt Julia’s house has vanished. The Red Well
Has been bulldozed away. But sharp and hard
The church still stands, barring the road to Hell.


Het traditionele aan Aunt Julia wordt versterkt door haar taal; zij sprak alleen Gealic, een taal die de jonge Norman niet sprak en niet verstond. Communiceren werd erdoor bemoeilijkt, maar Aunt Julia spreekt voor ons door haar doen en laten, en de metaforen in de vierde strofe geven de lezer een duidelijk beeld van een vrouw van het land die wordt gekarakteriseerd door het harde dagelijkse fysieke bestaan waarin de elementen een grote rol spelen en dat wordt beheerst door armoede – zie het sparen van de ‘threepennybits’ in de vierde strofe. Het feit dat de krekels die de jongen hoort vanuit zijn bedstee als ‘vriendelijk’ worden beschreven is veelzeggend; het verstrekt de warme gevoelens die uit dit gedicht spreken. Het fysieke element wordt versterkt door Schotse dialectwoorden als peatscrapes en lazybeds aan het einde.

In de laatste jaren van zijn leven werd de poëzie van Norman MacCaig volledig overheerst door het bittere gemis van zijn vrouw, die zes jaar eerder dan hijzelf overleed in 1990. Het leverde gedichten op die in al hun droefheid van een ongekende zeggenskracht getuigen, zoals het schrijnende Memorial, dat opent met de regel ‘Everywhere she dies. Everywhere I go she dies’ en dat afsluit met de strofe

Ever since she died
she can’t stop dying. She makes me
her elegy. I am a walking masterpiece,

a true fiction
of the ugliness of death.

I am her sad music.


Kees Bakhuyzen

Giuseppe Belli - Verkeerd ingericht

Belli

t Is toch maar knudde met het beste stuk
dat Jezus Christus Vader Adam gaf,
het lijkt maar zelden op een toverstaf,
probeer het maar; haast nooit heb je geluk.

De ene wil niet, of je moet haar trouwen.
De andere wil wel, maar dan eerst betalen!
En als we ooit een buitenkansje halen
dan moet je 't in de biechtstoel weer berouwen.

Maar wat een heerlijk lot hebben de honden!
die hoeven er zo zwaar niet aan te tillen,
die gaan hun gang, waar en met wie ze willen;

de biechtstoel zelfs gebruiken zij er voor!
Ze zijn niet bang, als wíj voor onze zonden,
en hebben schijt aan hel en aan pastoor.

(Vertaling H.L.Prenen)

Giuseppe Giachino Belli werd geboren in 1791 en stierf in 1863. Hij was geboren en getogen in Rome, om specifiek te zijn in de Romeinse wijk Trastevere, in zijn tijd nog een echte volkswijk en nog lang niet het toeristische oord dat het tegenwoordig is. Die achtergrond is belangrijk, want naast zijn dagelijkse bezigheden als ambtenaar en zijn officiële dichterlijke arbeid (hij begon met het schrijven van poëzie op 14-jarige leeftijd), schreef hij tussen 1815 en 1847 meer dan 2000 sonnetten in het rauwe dialect van Trastevere. Maar het was niet alleen de taal van zijn wijk die zijn hoofdwerk zou gaan kenmerken. Het was vooral het dagelijks leven; rauw en direct, waarmee Belli alle heilige huisjes omver haalde in een idioom dat even briljant als humoristisch is. De welgestelden en de politieke zowel als de geestelijke leiders zijn gewilde objecten voor spot en cynisme, waarbij Belli het vooral gericht heeft op hun corruptie en schijnheiligheid. Hij stond aan de kant van het volk, van Jan met de pet die zich aan God noch gebod hield. Kroegen en hoeren komen dan ook herhaaldelijk voor in deze sonnetten.

Ironisch genoeg werd hem in 1852 verzocht de morele regels te bepalen waaronder theaterstukken mochten worden opgevoerd. Zijn sonnetten waren toen nog onbekend, want ze zouden pas gepubliceerd worden na zijn dood. Dat is te danken aan zijn biechtvader, Mgr. Tizzani, bisschop van Terni, die geen gehoor gaf aan Belli's verzoek de sonnetten na zijn dood te verbranden. Gezien de onderwerpkeuze een uitermate curieuze beslissing, maar we mogen de bisschop zeer dankbaar zijn, want de sonnetten van Belli behoren tot het mooiste wat de Italiaanse literatuur heeft opgeleverd.

Ik kwam de vertalingen van Belli tegen in een oude editie van het literaire tijdschrift De Tweede Ronde (erg leuk tijdschrift, veel aandacht voor vertaalde poëzie en proza, maar ook altijd een goede keus wat betreft nieuw Nederlans proza en poëzie). Het Italiaanse origineel toont welke krachttoer het moet zijn deze gedichten te vertalen, zeker als men het metrisch schema en de rijm van Belli wil aanhouden. Maar ook zal de rauwe straattaal van het 19-e eeuwse Trastevere een enorme uitdaging vormen voor de liefhebber van dit soort idioom. Naast twee andere, al even vernuftige, vertalingen van Prenen, kon ik via het net verder niets vinden in het Nederlands. Uiteraard zijn veel van de sonnetten van Belli in het origineel te vinden op het web, meestal vergezeld van een Engelse vertaling, al dan niet op rijm. De Amerikaan Miller Williams heeft een prachtige Engelse vertaling gemaakt, waarvan veel op het web te vinden is.

Ik sluit graag af met een andere vertaling van Prenen,

Het schandaal:

Verdomde kwezels, zwarte ouwe wijven!
zelfs jullie waren hoeren indertijd; -
maar nu misgun je elke jonge meid
wat jullie zelf zo graag hadt willen blijven.

Jazeker: bij míj woont een jonge man,
die slaapt met mij, dat doet hij elke nacht,
de bedstee kraakt ervan, en niet zo zacht,
en ik ben blij hoe zalig hij het kan!

Wat gaat 't je an? 't Blijft tussen hem en mij.
Door jullie wordt geen man meer opgejut,
dát is de oorzaak van je huichelarij.

Barst maar van nijd hoe wij hier samenleven; -
want wie de kans krijgt en het niet benut
vindt nooit een biechtvaer die 't ons zal vergeven!

Kees Bakhuyzen

Raymond Carver - Next Year (1985)

Raymondcarver

That first week in Santa Barbara wasn't the worst thing
to happen. The second week he fell on his head

while drinking, just before he had to lecture.
In the lounge, that second week, she took the microphone
from the singer's hands and crooned her own
torch song. Then danced. And then passed out
on the table. That's not the worst, either. They
went to jail that second week. He wasn't driving
so they booked him, dressed him in pajamas
and stuck him in Detox. Told him to get some sleep.
Told him he could see about his wife in the morning.

But how could he sleep when they wouldn't let him

close the door to his room?
The corridor's green light entered,

and the sound of a man weeping.

His wife had been called upon to give the alphabet

beside the road, in the middle of the night.
This is strange enough. But the cops had her

stand on one leg, close her eyes,

and try to touch her nose with her index finger.
All of which she failed to do.
She went to jail for resisting arrest.
He bailed her out when he got out of Detox.
They drove him in ruins.
This is not the worst. Their daughter had picked that night

to run away from home. She left a note:
"You're both crazy. Give me a break, PLEASE.
Don't come after me."
That's still not the worst. They went on

thinking they were the people they said they were.

Answering to those names.

Making love to the people with those names.
Night without beginning that had no end.

Talking about a past as if it'd really happened.

Telling themselves that this time next year,
this time next year

things were going to be different.

Rudy Kousbroek zei ooit naar aanleiding van de (fantastische) verhalen van de Braziliaanse schrijver Dalton Trevisan (al even fantastisch vertaald door August Willemsen): 'Je blijft soms achter met het gevoel dat je niet een verhaal hebt gelezen, maar een ongeluk hebt bijgewoond.' Ik begin met deze vreemde zijsprong, omdat die uitspraak voortdurend bij mij opkomt bij het lezen van de verhalen en gedichten van Raymond Carver. De verwoesting is op het oog misschien wat minder drastisch dan bij Trevisan, er schuilt wat meer subtiliteit in het werk van Carver (daarmee niets te na gezegd over Trevisan), maar uiteindelijk gaat het om hetzelfde en is het resultaat gelijk. Het draait om mensen die elkaar, maar vooral vaak zichzelf, te gronde richten. Als lezer heb je het gevoel dat je erbij staat en ernaar kijkt, maar het ongeluk voltrekt zich zonder dat je ook maar iets aan de loop van het lot kunt veranderen.

De Amerikaanse schrijver Raymond Carver (1938-1988) is vooral bekend als de vernieuwer van de Amerikaanse short story. Je zou kunnen zeggen dat Carver verder ging waar een voorganger als John Cheever ophield. Beiden zijn het meest bekend vanwege hun short stories, beiden beschijven daarin het Amerikaanse suburbia en dan met name de levens, het vedriet, de onmacht achter de facade van datzelfde suburbia. Carver doet dat in een proza waarin hij zichzelf heeft geleerd weg te strepen. Hij heeft dat wegstrepen tot zo'n hoge kunst verheven, dat het in zijn verhalen uiteindelijk meer gaat om dat wat níet wordt gezegd, al is die suggestieve kracht natuurlijk zo groot door datgene wat wél wordt gezegd.

Wat lang niet alle Carver-liefhebbers weten, is dat hij zich naast zijn verhalen ook toelegde op gedichten. The Collected Poems, bijeengebracht in de verzamelbundel All of us, bevatten ruim 300 gedichten die in kwaliteit én intensiteit niet onderdoen voor de verhalen. In feite zijn het verhalen in een bijzonder gecondenseerde vorm, waardoor het effect nog groter is, zoals in Next Year. We zien het drama zich voltrekken, de spanning wordt daarbij naar het einde toe prachtig opgevoerd. Achter ieder drama schuilt een nog groter drama, totdat de dichter aankomt bij de dochter die van huis is weggelopen, met die prachtige zin She left a note: /"You're both crazy. Give me a break, PLEASE. /Don't come after me," gevolgd door die zinnen die als een soort perpetuum mobile onze aandacht blijven vragen: They went on thinking they were the people they said they were. [...]Night without beginning that had no end. / Talking about a past as if it'd really happened, totdat het eindigt in die al te herkenbare slotwoorden, in hun eenvoud zo prachtig en doeltreffend: Telling themselves that this time next year, /this time next year /things were going to be different.

Er zullen mensen zijn die dit geen poëzie noemen, gewend als we zijn aan een ouderwets concept van poëzie als een soort gedragen, vaak duistere taal, die veraf staat van deze op het oog zo ongekunstelde observaties. Maar voor mij behoren de gedichten van Raymond Carver tot het beste wat de Amerikaanse poëzie in de twintigste eeuw heeft voortgebracht en ze zijn me even lief als zijn short stories, misschien zelfs nog net iets liever. Sinds ik een maand of twee geleden na een lange speurtocht eindelijk The Collected Poems in een boekwinkel in Sydney aantrof, ligt het boek op mijn nachtkastje en vaak ga ik pas slapen na twee of drie gedichten van Carver te hebben gelezen. Next Year is daarbij slechts één van de vele hoogtepunten.


Kees Bakhuyzen

Gerard den Brabander - Herfstmiddag aan de Prinsengracht

De 50 beste gedichten

Ik zie de boom, geworteld op de voeten,
het jaar doorschrijden en het watervlak
der Prinsengracht. Ik zie het water groeten:
één grote glimlach, waar de zon in brak.
En toen ik haar op ingetogen benen
over de ronde rondebrug zag gaan,
liep er iets warms vanuit mijn borstkas heen
en keek ik dieper in mijn leeg bestaan.
Er blijven nu maar weinig dingen over:
water en zon, wat mist, verwelkend lover,
en, ergens in de droom daartegenover,
achter de hartstreek een verdwaalde pijn...

De pijn wordt groter, en het woord zó klein,
dat zij niet weten of zij samen zijn.

Toen in 1984 bij uitgeverij Van Oorschot de Verzamelde Gedichten van Gerard den Brabander verschenen (verzorgd door C. Bittremieux) waren de reacties gemengd. Den Brabander, was dat niet die dronkelap die altijd bij Eijlders op het Leidseplein rondhing? Goed, hij had ook wat gedichten geschreven, maar hadden die nu werkelijk zoveel waarde dat ze deze uitgave rechtvaardigden? Als om deze visie nog wat kracht bij te zetten, bevat het laatste deel van de uitgave veel van de gedichten die Den Brabander in het laatste stadium van zijn leven schreef op de achterkant van bierviltjes, op verzoek van klanten in ruil voor een rijksdaalder, zodat hij weer een borrel kon kopen.

Gerard den Brabander (pseudoniem van Jan Gerardus Jofriet, 1900-1968) was vermaard om zijn drankzucht. Jarenlang was hij werkzaam bij de posterijen, maar toen hij hijgend als een hond rondkroop op de afdeling met een postzegel op zijn voorhoofd geplakt, werd duidelijk dat het zo niet langer kon. In 1942 liep hij weg van huis en koos hij voor het bestaan van bohemien.

Den Brabander, de 'kleine slaaf van poëzie en taal', zette zich in zijn gedichten af tegen het leven van de benepen burgerman. Nu vinden wij dat misschien achterhaald, maar om hem werkelijk te begrijpen moeten we ons inbeelden hoe benepen de wereld in de jaren '30 was, een benepenheid die na de oorlogsjaren terugkeerde. Den Brabander ondernam dan ook weinig tot geen werkelijke pogingen van zijn alcoholisme af te komen. In 1967 werd hij opgenomen in de Jellinek-kliniek in Amsterdam, waar hij op 3 februari van het daaropvolgende jaar ten val kwam. Hij overleed een dag later. Gerard Reve doet in een van zijn brieven verslag van de begafenis. 'Als er in de hemel geen drank is, dan hoef ik er niet naartoe', zo zou Den Brabander ooit beweerd hebben. (De betreffende brief van Reve heb ik hier niet, dus ik geef het citaat zoals ik het mij herinner).

Vermaard is natuurlijk de passage uit Nader tot U van Reve, in de Brief door tranen uitgewist, waarin hij vertelt hoe de dichter Nico V. de 'oude bard' Gerard d.B. te logeren had: 'Het had Nico dagenlange voorbereidingen gekost om de bij vuur of open vlam vermoedelijk ontploffende dichtervorst uit Amsterdam mee te voeren, waar d.B. eindelijk, op de zoveelste overeengekomen dag, waarempel niet naar Café E. was gegaan, maar in zijn etagewoning reeds des morgens om zeven uur bovenaan de trap-die hij niet afdurfde-was gaan zitten, hoewel Nico pas om twee uur smiddags zou komen. Het transport was geen gemakkelijk karwei geweest, en had tot diep in de avond geduurd, omdat bij elke wisseling van paarden, in Alkmaar zowel als in Den Oever en Bolsward, één of twee maal een dubbele oude in een cola genuttigd moest worden. De literkruik drank, die kafeehouder E. bovendien voor onderweg had meegegeven, was in de bus naar Bolsward al leeggeraakt en, onder gebrul en gejuich, met hoofd uit het portier, uit de Bolswarder taxi de nacht ingeslingerd. De volgende dag konden bezoekers van Nico zijn zomerwoning de oude, moegeklonken zanger, rafelig als een zelfs voor de slacht te oud geworden hoen, in een leunstoel in de woonkamer zien zitten, waar hij afwisselend probeerde ons plaatstelijk advertentieblad te ontcijferen en een sigaret te rollen, wat geen van beide lukte, want hij zag veel te dubbel, of soms zelfs alles op zijn kop, en zijn handen waren te gezwollen om verfijnde bewegingen mogelijk te maken. Zo was de eerste droge dag verlopen. Na vijf dagen op sap en melk kon hij al enigszins duidelijk zien, zich door het huis bewegen en samenhangende mededelingen doen, terwijl zijn oogleden al veel minder etterden. Zijn voeten echter waren nog steeds lelijk opgezet.'

Ondanks zijn alcoholisme en de daaruit voortvloeiende legende toont Gerard den Brabander in zijn beste gedichten dat hij wel zeker een dichter van formaat was. Herfstmiddag aan de Prinsengracht is daar een mooi voorbeeld van. Den Brabander is één keer in zijn leven naar het buitenland geweest, toen hij op kosten van uitgever Van Oorschot naar Parijs kon (we danken er de mooie reeks Parijse Sonetten aan), maar verder zijn er weinig andere dichters die zozeer verbonden zijn met Amsterdam, ook al was Den Haag zijn geboortestad. Het is daarom terecht de dichter te eren met een gedicht waarin hij de pracht van de stad bezingt, op de hem typerende, licht archaïsche wijze. Het mooie beeld van de herfstmiddag aan de Prinsengracht, twijfel aan het lege bestaan en zijn rol als dichter, het zijn allemaal typische trekken van de poëzie van Den Brabander. Op zijn slechtste momenten niet meer dan een bezopen rijmelaar, maar vooral door zijn werk uit de late jaren '40 en de jaren '50 een dichter waar we trots op mogen zijn.

Kees Bakhuyzen

Pierre Kemp - Avondrood en Avondstemming (1938)

De 50 beste gedichten

Avondrood

Er komt een rood over alle dingen
en de vruchten, die op de velden staan
missen de wind om over de stilte te zingen
en hun reuk doet mij nu zo bitter aan.
Al mijn jaren ben ik kind gebleven
en ik wil ook verder zo blijven leven,
maar zal het gaan?

Avondstemming

Er is nog wat gebed in de bomen
van winden te laat gekomen
voor de schielijke bui.
De hoorns klinken weer opener.
Het licht is niet meer zo koper
en er is avondgelui.
Het is nog te mooi om dicht te gaan
en met het gezicht in slaap te staan.


'Ik kleed me in het zwart. U kijkt er nu naar. Toen ik op de steenkolenmijn werkte, had ik een voorganger in een grijs kostuum, alleen aan de randen was het zwart. Toen dacht ik, dat zal me niet overkomen, ik neem maar meteen een zwart pak. En sindsdien is het eigenlijk zo gebleven.' *

De Maastrichtenaar Pierre Kemp (1886-1967) werkte tot zijn vroegtijdig pensioen in 1945 als loonadministrator bij steenkolenmijn Laura in Eygelshoven. Op weg naar zijn werk en tijdens de treinreis terug naar huis, schreef hij dagelijks een gedicht dat hij keurig genummerd bijhield in een schoolschriftje. Als hij voldoende gedichten had, verscheen er een nieuwe bundel, waarin de gedichten alfabetisch gerangschikt werden. Na zijn pensionering zette hij zijn dichtersarbeid voort in zijn werkkamer aan de Turennestraat 11 in Maastricht, tussen zijn keurig in paars en geel papier gekafte boeken.

Zo zwart als het pak van Kemp was, zo vol kleuren zijn zijn gedichten. 'Ik ben eigenlijk een zonaanbidder. Zonder zon waren we er niet. Misschien was dat ook wel gelukkig geweest. Maar ja, we zijn er nu eenmaal...'* Er is vrijwel geen gedicht van Kemp te vinden waarin geen kleur voorkomt en hierin herkent men zijn oorspronkelijke roeping om schilder (of componist) te worden. Hij heeft ook enige tijd geschilderd, maar uiteindelijk bepaalde het lot dat hij als dichter zijn grootste faam zou verkrijgen. Niet dat Kemp die faam doelbewust opzocht, maar erkenning vond hij wel. Zo werd hem in 1959 de Staatsprijs voor Letterkunde, de P.C.Hooftprijs, toegekend.

De dichter Kemp wilde de wereld zien met de onbevangen blik van het kind dat hij was geweest, als een feest van kleuren, al breekt regelmatig de melancholie door als hij beseft dat terugkeer naar die kindertijd niet echt mogelijk is, zoals in Avondrood. Blauw en groen komen regelmatig voor, maar het zijn vooral het door het zonlicht opgeroepen rood en geel die een hoofdrol spelen in zijn gedichten.

De poëzie van Kemp is een ode aan het leven, het dagelijks geluk van kleine dingen als het aanschouwen van een zonsondergang of een korenveld. Kemp wordt wel een 'impressionistische dichter' genoemd. Voor mij niet altijd een aanrader, maar in het geval van Kemp werkt het bijzonder goed. Niet voor niets heet een van zijn bundels Engelse verfdoos en naast eerdergenoemde kleuren, treffen we in zijn gedichten een bonte schakering aan zoals in Eenzaamheid, dat ondanks de trieste toon bij mij toch een gelukzalig gevoel weet op te roepen:

De lucht is zo lila en lauw
om de rose bloemen bij de molen.
Het water ernaast stapt grauw
geruist in de schoepen met vloeiende zolen.
Het is er om in 't grijs gereed te staan
en maar in en uit de kamers te gaan.


Kemp legde zichzelf rijmdwang op en daardoor krijgen zijn gedichten vaak een korte 'twist' die het net niet tot een perfect gedicht maakt. Maar juist dat element karakteriseert de dichter Kemp en maakt hem mij zo dierbaar. Op een of andere manier passen alle stukjes bij elkaar om samen te vallen in die unieke figuur, die wat wereldvreemde man die in zijn zwarte pak op zijn werkkamer een wereld vol kleuren tevoorschijn toverde.
Er is veel ellende op de wereld. Ik ga daar hier verder niet op in, maar als het me even te veel wordt, is een duik in de 'kleine liederen' van Kemp mijn dosis Prozac.

Kees Bakhuyzen

* H.U Jesserun d'Oliveira: Scheppen riep hij gaat van au. Interviews met 11 schrijvers. Athenaeum - Polak & Van Gennep, 1977
De Verzamelde gedichten van Pierre Kemp worden uitgegeven door Van Oorschot. Een fraaie introductie is Een bloemlezing uit zijn kleine liederen, samengesteld door Adriaan Morriën. Eveneens Van Oorschot, maar volgens mij inmiddels niet meer leverbaar.

Manuel Bandeira - In diepe slaap (1930)



De 50 beste gedichten

Manuel Bandeira - In diepe slaap (1930)

Toen ik gisteren insliep
Het was de nacht van Sint-Jan
Was er vrolijkheid en drukte
Geknal van bommetjes Bengaals vuur
Stemmen gezang en gelach
Rond de brandende vuren.

Midden in de nacht werd ik wakker
Hoorde geen stemmen meer geen gelach
Alleen ballonnen
Dreven over
In diepe stilte
Alleen het geluid van een tram
Zo nu en dan
Doorboorde de stilte
Als een tunnel.
Waar waren zij die zojuist nog
Dansten
Zongen
En lachten
Rond de brandende vuren?

-Ze sliepen allemaal
Ze lagen allen
Te slapen
In diepe slaap

*

Toen ik zes jaar oud was
Kon ik het eind van het Sint-Jansfeest niet zien
Omdat ik in slaap viel
Nu hoor ik de stemmen niet meer uit die tijd
Mijn grootmoeder
Mijn grootvader
Totônio Rodrigues
Tomásia
Rosa
Waar waren zij allemaal?

-Ze slapen allemaal
Ze liggen allen
Te slapen
In diepe slaap.


(vertaling August Willemsen)

'Willen weten waarom iets mooi is, is een zekere weg naar de waanzin', aldus August Willemsen naar aanleiding van In diepe slaap in zijn essaybundel De taal als bril. Evenzozeer vraag ik mij al lang af waarom dit gedicht niet zozeer een van mijn favorieten alswel mijn uitgesproken favoriet is en waarom ik het om de paar dagen weer wil lezen, keer op keer op keer. Waarom vind ik dit op het oog zo simpele gedicht zo ontroerend?
Het waardevolle van poëzie wordt mede verklaard vanuit het feit dat het altijd iets onverklaarbaars houdt, maar er zijn zeker een aantal elementen op te noemen die dit gedicht zo groots maken. Het moet iets te maken hebben met diezelfde simpelheid van taal, de beelden die worden opgeroepen, het mooie van de stilte van de zwevende ballonnen, in al zijn eenvoud zo beeldend beschreven, het geluid van de tram die diezelfde stilte doorsnijdt. Maar het is vooral de analogie van het Sint-Jansfeest naar het leven zelf, het oproepen van hen die allen liggen 'Te slapen, In diepe slaap', de enorme troost die uitgaat van de bijna bezwerende slotstrofe die in het origineel Profundamente nog mooier is. (Niets ten nadele van August Willemsen, de vertaling is prachtig, maar dit is gewoon een verschil in taal):

- Estão todos dormindo
Estão todos deitados
Dormindo
Profundamente.


De dood is in dit gedicht niets om bang voor te zijn. August Willemsen verklaart deze houding tegenover de dood vanuit het feit dat Bandeira vanaf zijn achttiende leed aan tuberculose (pas tegen zijn vijftigste verdween het gevaar en Bandeira bereikte de gezegende leeftijd van 82 jaar). De dood was derhalve altijd dichtbij en verloor daardoor zijn grimmigheid, aldus Willemsen.

Manuel Bandeira (1886-1968) is een van de grootste Braziliaanse dichters van de 20e eeuw. Zijn werk wordt in zijn geboorteland wel a poesia da ausência genoemd, de poëzie van de afwezigheid of het gemis, al moge uit het voorgaande duidelijk zijn dat het niet gaat om een smartelijk gemis. In zijn gedichten gaat Bandeira vaak 'op zoek naar de verloren tijd', naar het Recife van zijn kinderjaren. Daarbij keren een aantal personages regelmatig terug, als een soort archetypen van het verleden, zoals hier Tôtonia Rodrigues en Tomásia, de oude kokkin uit het huis van zijn grootvader.
Niet voor niets lijken de gedichten van Bandeira vaak op kinderversjes, al zijn die op het oog zo simpele woorden bedriegelijk Hoe vaker je de gedichten herleest, hoe meer erin te ontdekken valt en hoe meer je bemerkt hoe goed ze in elkaar zitten, zoals bij de sterke analogie tussen het feest en het leven zelf in In diepe slaap.

Voor zover mij bekend, is er slechts één uitgave met vertalingen van Bandeira door August Willemsen, maar die bundel stamt uit '82 en ik heb geen idee of deze uitgave nog verkrijgbaar is. Geïnteresseerden verwijs ik daarom naar het eerdergenoemde De taal als bril (De Arbeiderspers, Synopsis, 1987), niet alleen een van de leukste essayboeken die ik ken, maar direct een mooie inleiding op de grote Portugese dichter Fernando Pessoa en vele andere namen uit de Braziliaanse literatuur. Voor hen die het Portugees een beetje beheersen, is er nog veel fraais te vinden via het net.

Kees Bakhuyzen

De 50 beste gedichten


Gerard Reve - Droom (1962)

Vannacht verscheen mij in een droomgezicht mijn oude moeder,
eindelijk eens goed gekleed:
boven het woud waarin zij met de Dood wandelde
verhief zich een sprakeloze stilte.
Ik was niet bang. Het scheen mij toe dat ze gelukkig was
en uitgerust.
Ze had kralen om die pasten bij haar jurk
.

Ergens midden jaren '80 bezocht ik een discussiebijeenkomst in de Oude Manhuispoort te Amsterdam. Onderwerp was de poëzie van Gerard Reve, in het bijzonder de literaire waarde van deze gedichten en hun mogelijke plaats in de vaderlanse letteren. Verschillende poëziekenners c.q. -critici lieten hun licht schijnen over de gedichten van Reve en al snel werd duidelijk dat hier twee sterk contrasterende visies tegenover elkaar stonden. Aan de ene kant bevond zich een criticus die de poëzie van Reve beschouwde als een interessante maar tegelijkertijd niet meer dan komische bijzaak. Al te veel aandacht verdienden deze gedichten dan ook niet, zo beweerde hij. Aan de andere kant werd de visie verdedigd dat deze gedichten niet alleen een belangrijke plaats innamen binnen het werk van Reve, maar dat ze ook school hadden gemaakt binnen de Nederlandse letteren. Namen staan mij nog zeer vaag bij, maar ik heb daaromtrent te weinig zekerheid om die hier te noemen.
Voor alle duidelijkheid vermeld ik hier nog dat het de tijd was van het opkomende 'anti-racisme' en Reve stond wat dat betreft voor velen in een verdacht licht. Misschien was hij ooit een groot schrijver geweest, maar veel van wat hij deed en had gedaan was toch niet echt serieus te nemen. Of het van groot belang is weet ik niet, maar ik heb het idee dat dit aspect een rol speelde binnen de algehele waardering die Reve midden jaren '80 ten deel viel.

Ik denk dat de twee visies die hier verdedigd werden terug te voeren zijn op de verwachtingen die iemand heeft. Als poëzie iets is wat vooral door kenners op wetenschappelijke wijze moet worden bestudeerd, dan zal de poëzie van Reve je weinig aanspreken. Maar voor mij is dat niet de functie van poëzie. Een gedicht moet je treffen omdat het fraaie zinnen bevat en een beeld oproept dat alleen op deze wijze onder woorden kon worden gebracht. Omdat het mooi en ontroerend is, niet een keer, maar tien, honderd keer.
Natuurlijk, de poëzie van Reve bevat een aantal gedichten die vooral bijzonder komisch zijn, maar die verder met poëzie niet al te veel te maken hebben. Een zeer fraai voorbeeld is Het ware geloof (1965):

Als de kardinaal een scheet heeft gelaten, zeggen ze:
'Sjonge jonge, wat ruikt het hier lekker,
net of iemand lever met uien staat te bakken,'
Dat soort katholieken, daar ben ik niet dol op.


Maar tegelijkertijd bevatten de Verzamelde Gedichten van Gerard Reve een aantal gedichten die prachtig zijn, ontroerend en zeer treffend onder woorden gebracht en die inmiddels zijn gaan behoren tot de canon van de Nederlandse poëzie. Droom is ook komisch, maar anders dan in Het ware geloof betreft het hier een lief soort humor, teder en troostend tegelijk.

In 1997 bezocht ik een literaire avond in het Limburgse Steyl. Reve was de belangrijkste gast en hij hield twee lezingen. Na de pauze las hij twee hoofdstukken uit zijn toentertijd meest recente werk Het boek van het violet en de dood, maar voor de pauze was het tijd voor de gedichten. 'Goedenavond jongens en meisjes. Ik ga jullie een aantal gedichten voorlezen die iedereen misschien wel kent, maar die toch altijd weer fijn zijn om nog een keer te horen'. Bij veel van de gedichten, zoals Het ware geloof, kon Reve zijn karakteristieke lach nauwelijks onderdrukken, maar bij Droom werd de toon anders. Op een licht plechtige wijze, met een stem die vooral tederheid uitdrukte, las hij dit eerbetoon aan zijn in 1959 overleden moeder. Het was een van de mooiste momenten van de avond. Evenzozeer is Droom voor mij een van de mooiste gedichten, niet alleen binnen het werk van Reve, maar binnen de gehele vaderlandse literatuur.

Kees Bakhuyzen

De 50 beste gedichten (32)


De 50 beste gedichten (32)

Mario Luzi - Tot mijn moeder vanuit haar huis

Ik lig hier in jouw oude, grijze huis
stil op mijn rug in een smal bed, misschien
is 't wel jouw bed van toen. Ik luister
en tel de uren die oertraag voorbijgaan
onder de wolken die 's nachts in augustus
hier voren trekken boven 't schrale landschap.

Een man die 's nachts nog laat van 't veld terugkeert
wisselt moeizaam een groet met zijns gelijken,
beklimt de steilte en 't straatje, en gaat de deur
in van zijn wrakke kot. De broeiende
sirocco omwoelt de slaap en maakt wie ziek
en opgesloten is gek van verlangen.

Ik slaap nog niet, ik volg de nachtbrakers,
een jonge idioot of kindse grijsaard,
van wie de stappen klinken op de keien;
ik laat en neem de last van mijn bestaan
en ik daal af, daal dieper af dan ooit
hier in dit tijdsgewricht, hier in dit volk.

[Vertaling: Frans van Dooren]

De Italiaanse dichter Mario Luzi (1914-2005) wordt in eigen land als een van de grootste dichters van de 20e eeuw beschouwd, maar buiten Italië is hij helaas weinig bekend, i.t.t. bijvoorbeeld zijn tijdgenoot Eugenio Montale. Evenals Montale bewoog Luzi zich in de jaren '30 in schrijverskringen van Italië's toenmalige literaire hoofdstad Florence, maar de Nobelprijs die Montale wel werd toegekend bleef buiten het bereik van Luzi, ondanks herhaalde nominaties.

Sinds ik enkele maanden terug op een handvol vertaalde gedichten van Luzi stuitte in een oude editie van het al vaker door mij geprezen literaire tijdschrift De Tweede Ronde, ben ik gefascineerd geraakt door zijn werk. Je zou kunnen zeggen dat zijn poëzie zich concentreert op het moment, dat hij als het ware in de breedte uitbouwt. Een van zijn gedichten heeft de titel L'immensità dell'attimo; de onmetelijkheid of oneindigheid van het ogenblik, en men zou dat het motto van de poëzie van Luzi kunnen noemen. Collega-dichter Giovanni Giudici heeft hem de dichter van de 'pienezza' genoemd; de volheid. Maar in die volheid van het nu is het hele verleden inbegrepen. 'Achter mijn rug verheffen zich de jaren/ in zwermen' zegt hij in het gedicht Tegen de veertig, waarin hij vlak voor zijn 40e verjaardag terugkijkt op zijn leven:

In Tot mijn moeder vanuit haar huis beschrijft de dichter hoe hij 's nachts wakker ligt in haar 'oude, grijze huis'. Het nu begint grotere vormen aan te nemen en het feit dat hij refereert aan zijn moeder impliceert natuurlijk al een inbegrip van het verleden. Maar het is niet alleen de band met zijn moeder, het is de band met heel het volk waar hij uit afkomstig is, zoals zo mooi wordt verwoord in de laatste regels. Luzi is er een meester in uitgaande van het moment een sfeerbeschrijving neer te zetten die uiteindelijk veel verder strekt dan het nu. Hij is in zijn poëzie voortdurend op zoek naar het contrast tussen de tijd en de eeuwigheid, tussen het individuele leven en het totale leven, tussen de verschijningsvorm en de essentie. Bovenstaand gedicht is een goed voorbeeld van al deze aspecten. Zijn religieuze beleving speelt bij dit alles ongetwijfeld een grote rol: Luzi stond bekend als katholiek dichter, al is die religieuze invalshoek volgens velen meer mystiek dan christelijk.

De poëzie van Mario Luzi is wel hermetisch genoemd; een term en een type poëzie waarmee ik weinig op heb en die meestal neerkomt op in zichzelf gekeerde poëzie, dichten om het dichten, het gedicht en vooral het wordingsproces van het gedicht zelf als onderwerp. Maar wat de poëzie van Luzi gemeen heeft met die 'hermetische' poëzie is de gekeerdheid in zichzelf , maar dan op een geheel andere manier die mij veel meer aanspreekt. De gedichten van Luzi zijn niet 'moeilijk' maar hun 'hermetische' karakter schuilt daarin dat je na het lezen van het gedicht niet voort wilt naar het volgende gedicht, maar vooral in dat gedicht dat je zojuist hebt gelezen wilt blijven hangen om het je aldus geheel eigen te maken.

Als laatste voorbeeld van de sfeertekening van Luzi geef ik de eerste van de drie strofen van het gedicht De kroeg;

Scherp tekent de herfst de bergen af, de wind
doet de oude straatstenen stinken naar reuzel,
blaast uit de bakkerij walmen van rijshout
in golven tussen de huizen en de krotten.
Ik sta hier in de kroeg voor 't raam, iemand
die nauwelijks voor één dag een naam bezit,
ik kijk en kijk. De morgen schuifelt voort,
dringt langzaam 't donker hol binnen. De waard
telt de inkomsten, schrijft donderdag op 't marmer,
de vrouw rommelt wat rond bij 't vuur, loert in

de richting van de deur wachtend op klanten.

Kees Bakhuyzen

Meer: de 50 beste gedichten.