De verloren tijd wil je inhalen

Laatst werd ik aangereden achter het Paleis op de Dam door een jonge dronken toerist. Het gebeurde om drie minuten voor vierentwintig uur. Ik was op de fiets. De toerist zwalkte rond op zijn gehuurde yellow bike en raakte me fors in het voorwiel, waarna het hem zowaar lukte zijn dronkenmanstocht met zijn vrienden voort te zetten. Niet voor lang. Ik had hem snel achterhaald en vroeg hem in het Engels het stuur van mijn rijwiel weer recht te zetten. Dat deed hij, terwijl zijn makkers grinnikend toekeken. OK. Ik gaf hem een hand en maakte hem duidelijk dat hij moest leren fietsen en dat de stad niet van hem is. Amsterdam is niet van de toeristen maar van zijn bewoners. Laat Amsterdam niet in die zin het
Venetië van het noorden worden. Als de gemeentelijke overheid de Kalverstraat tot overcrowded area verklaart en tijdelijk afsluit, zoals tussen kerst en nieuwjaar gebeurde, dan is de balans tussen hen die de stad bezoeken en hen die er wonen volledig zoek. Amsterdam is een soort van werelddorp dat in principe te befietsen is. Dat laatste wordt echter moeilijker, naarmate hordes toeristen zich meer en meer lopend en met gehuurde bikes op de fietspaden begeven die ook bereden worden door motopeds, fietstaxi’s, bakfietsen, skaters, e-bikes, invalidenwagens, ligfietsen, bromfietsen, elektrische steppen en opgevoerde scooters. Burgemeester Van der Laan beloofde in Buitenhof van 5 januari jl., dat wat hem betreft nog voor het einde van 2014 het rijwielpad verboden gebied wordt voor de ongehelmde berijders van al die vespa-achtigen (25.000 in A’dam; ze nemen de plek van 2,5 fiets in). Door de Oude en Nieuwe Hoogstraat, een belangrijke doorgangsroute voor fietsers, kom je alleen nog bellend, vloekend en duwend op de Dam. Daar sta je dan met een hele horde van die snorscooters voor het rode stoplicht om vervolgens in een met taxis’s dichtgeslibde fuik te belanden. Steeds meer fietsers negeren stoplichten, moeten zich overal tussen door wurmen of vertonen ander gevaarlijk rijgedrag om hun voorsprong-van-oudsher op al die gemotoriseerde vehikels in het kleine werelddorp te behouden. Ze slalommen zich door het verkeer en proberen alle obstakels zoals paaltjes, plassen regenwater, boomwortels, losse stoeptegels en dito klinkers zoveel mogelijk te ontwijken. Wat is er in Amsterdam over van het zo geroemde Dutch cycling?

Op sommige plekken struikel je letterlijk over de fietsen. Idyllische fietsscènes als die in de film Turks Fruit zijn ondenkbaar geworden. Amsterdam geldt nog altijd als fietsstad nummer 1 van de wereld, maar er zijn inmiddels meer fietsen dan inwoners en er zijn meer fietsen dan er plek voor is. Propvolle rekken bij stations (bij het CS staat een ‘fietsenflat’ van drie verdiepingen), chaotische situaties op uitgaanspleinen. Flaneren in de binnenstad die langzaam dichtslibt, wordt onmogelijk. Fietsen. Je vindt ze overvloedig op de ansichtkaarten en ze zijn het meest geliefde object van fotograferende toeristen. Ze hangen tegen winkels en bruggen, al of niet met verbogen voorwiel, in bomen, aan de leuning van een trap, en ze liggen in de gracht. The New York Times wijdde er onlangs nog een groot artikel aan en de Amerikaanse Amsterdammer Pete Jordan schreef De fietsrepubliek, een geestig boek over de Amsterdamse fietscultuur. De gemeente gaat nu iets doen aan alle fietsproblemen: voor 2020 moeten er 40.000 extra parkeerplaatsen bijkomen, op het Damrak en het Leidse Plein en bij de spoorweg- en metrostations. Er is echter geen plek meer. Dus we gaan ondergronds. Zo wordt het Leidse Plein helemaal omgebouwd en voorzien van een ondergrondse parkeergarage voor 2000 fietsen. Dat kost vijf jaar arbeid en 50 miljoen euro. De Centrale Openbare Bibliotheek heeft er al een. Maar niemand weet het, zodat deze ondergrondse voor driekwart leeg staat en bezoekers hun fietsen nog altijd voor de hoofdingang stallen. Ook de ‘fietsvakken‘ (omlijnde stukken stoep) zijn geen succes. Je kunt fietsen er niet lang laten staan, je kunt ze nergens aan vast maken en bij een vlaag wind vallen ze als dominostenen om. Voordeel is wel dat er in deze vakken geen ongebruikte fietsen achterblijven. Daar zijn er per jaar zo’n 70.000 van die allemaal naar een lastig te bereiken depot in het Westelijk Havengebied worden gebracht. Van deze ‘weesfietsen’ worden er 21.000 opgehaald. De rest wordt gerecycled of geveild. Ik heb wel eens zo’n afgekeurd exemplaar opgehaald. Het kostte me anderhalf uur in tijd en vijftien euro.

In andere wereldsteden kijkt men met belangstelling naar het fenomeen van Dutch cycling. In Londen bijvoorbeeld propageert burgermeester Boris Johnson het gebruik van de fiets met zijn project van de Barclay Bikes, in de volksmond ook wel Boris Bikes geheten. Het zijn blue bikes die voor een gering bedrag gehuurd kunnen worden op vaste plakken in de stad. Een soort witte fiets eigenlijk. Maar daarop mag je absoluut geen oordopjes dragen. Die heeft Boris verboden. Ten tijde van de Olympische Spelen is er een waar fietsparadijs gecreëerd in Stradford. En architecten in Londen hebben een plan ontworpen, Sky Cycle, voor een grootschalig fietsnetwerk (220 km lang) een paar meter boven de grond, corresponderend met het metronet. Tweehonderd ingangen. Een verwerkingscapaciteit van 12.000 fietsen per uur. Als fietser moet je wel even naar boven trappen en dan de uitlaatgassen van al het gemotoriseerde verkeer onder je voor lief nemen. In New York is zo’n fietsnet boven de grond trouwens al gedeeltelijke gerealiseerd.

Voor Amsterdam, het werelddorp bij uitstek, is zo’n project natuurlijk luchtfietserij. Fietsers begeven zich daar dagelijks in de spitsuren in files van hot naar her. En dat moet echt over de grond. Soms hebben deze drommen bewegende fietsen ook wel wat. Bijvoorbeeld als je met z’n allen de pont op- of afgaat. Of als je in een groot gezelschap staat te wachten voor een openstaande brug. Als de weg vrij is, spoedt een ieder zich weer voorwaarts. Steeds vaker in zeer grote haast. Een stoplicht kun je als fietser nog negeren maar een opgehaalde brug niet. De verloren tijd wil je inhalen. Soms voel ik me dan als de hoofdpersoon in de korte tv film Achilles en het Zebrapad van Paula van der Oest, een koerier die in razend tempo door de straten scheurt, rakelings langs trams scheert,voortdurend anticiperend en elk obstakel met precisie vermijdend. Hij leeft in de roes van het nu. Zijn enige doel is om van A naar B te komen. In zo kort mogelijke tijd. Stoplichten zijn z’n innerlijke klok geworden. Niets ontziend maar alles ontwijkend raast hij – prachtig verfilmd met handheld camera - alsmaar voort. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling van de fiets geweest zijn, waarvan de etymologische herkomst volgens taalspecialist Wim Daniëls overigens niet bekend is. En dat kan uiteraard – zoals in genoemde film het geval is – niet aldoor maar goed blijven gaan.

2 opmerkingen:

  1. Excellent website. Lots of useful info here. I'm sending it
    to a few pals ans additionally sharing in delicious.
    And of course, thank you on your effort!

    Stop by my blog post games for girls 2

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Vorige reactie is spam.
    Mooi artikel. De situatie wordt op sommige plekken echt onhoudbaar.

    BeantwoordenVerwijderen