Loten

Aan het eind van de Simon Carmiggelt week, ter gelegenheid van het feit dat de stukjesschrijver honderd jaar geleden geboren werd, hier een kroegverhaal, een kronkel.

Loten 
Het was zo’n half donker café in Oud-West waarvan je er niet zoveel meer ziet. Alles moet tegenwoordig helder, transparant, licht en strak zijn. Design, noemen ze dat. Of je zit onder tl buizen en aan formica tafels in zo’n frituur of halal tent. Hier was alles donker bruin. Vale verf bladderde van de muren. Naast mij aan de tapkast stond een aan de slapen grijzende man die geen habituele zwijger was en mij een lot uit de loterij toonde: “M’n loterijbriefje. Allemaal bedriegerij. En toch koop ik het iedere keer weer. “

 Ofschoon hij niet meer dan een flauw glimlachje op mijn gelaat kon ontwaren, vervolgde hij energiek: “Doorgestoken kaart. Alleen vriendjes krijgen de prijzen. Ministers en zo. Maar de gewone man nooit. “ Ik knikte welwillend. De gewone man wint nooit iets. “Ik heb erop gestudeerd.“ Hij keek me
doordringend aan met priemende donkere ogen, alsof hij wilde doorgronden of ik zijn bevindingen wel waard was. “Niks geen lot uit de loterij. Er zit systeem in. Ze bevoordelen elkaar. Het is allemaal uitgedacht. Berekend. Voor en door de happy few.“
Er klonk nu iets van triomf door in zijn sonore alt. Geen stem die was aangetast door drank en rookwaar. Wat deed hij in een etablissement als dit? “Wij zullen nooit de gouden combinatie hebben. U”, hij keek me schattend aan, “en ik kennen de code niet. Wij staan aan de zijlijn.” Hij wierp nu een geagiteerde blik in de verweerde spiegel achter de tap, alsof hij daarin een representatie zag van de door hem verachte elite in plaats van zichzelf en zijn brave toehoorder. De kastelein was in geen velden of wegen te bekennen. Andere klanten dan wij waren er niet. Ik zag in de spiegel nu duidelijker zijn schrale gestalte, gestoken in een pantalon van onbestemde kleur, overhemd met okerkleurige strepen, en een lichtgrijs jasje, waarop ter hoogte van de ellebogen stukken stof van een donkere tint waren aangebracht. Hij richtte zich weer tot mij. Zijn stem klonk nu gejaagder. “Weet u wat ook je reinste bedrog is?” Hij wachtte mijn antwoord niet af. “Verkiezingen. Nep is het. Als je ze hoort kakelen, beloven ze allemaal gouden eieren. Leugens. Dat zijn het. Pure oplichterij.” Hij keek of zijn woorden bij mij het gewenste effect sorteerden. Even overwoog ik een vraag, maar hij was me voor. “Eén keer in de vier jaar mogen we een rondje rood kleuren. En dan gaan de boven ons gestelden weer hun eigen gang.”
Ik begon dorst te krijgen, maar de kastelein liet zich nog steeds niet zien. Daarom wendde ik mij tot mijn gesprekspartner, die duidelijk liet blijken dat hij helemaal niet onderbroken wilde worden. “Het loopt natuurlijk op z’n end met de hele rotzooi. De elite is ziek en het volk pikt het niet meer.” Het was eruit. De man liet een indrukwekkende stilte vallen, waarschijnlijk om te laten merken hoe lang hij op dit gevalletje gestudeerd had. Trots op zijn trouvaille pakte hij zijn loterijbriefje weer ter hand. Volkomen rustig nu expliceerde hij: “Het lot bepaalt.” Ik trok mijn wenkbrauwen op. “Dat hoorde ik iemand op tv zeggen. We moeten gaan loten. Niet stemmen op de elite maar gewone mensen loten. Dan heeft iedereen evenveel kans.“ Hij streek zijn mouwen glad. “Het ei van Columbus. We moeten gewoon gaan loten. Dat is de opperste vorm van democratie. Zo noemde die man op tv dat.” Hij streek door zijn kort geknipte haar en overhandigde mij zijn staatslot. “Die is voor u. Ik wens u veel geluk. Ik maak me klaar voor die andere loterij. Ik weet wat mij te doen staat.“ Met een ruk draaide hij zich om en in grote haast verliet hij de zaak. Toen de deur dichtviel, verscheen de kastelein. Hij keek de man, die nu voorbij het raam beende, nog even na. “Die is weg”, sprak hij. “Drinkt nooit iets maar weet precies hoe alles moet. Komt elke week als ie zijn lot gekocht heeft. Daar zijn we nu van verlost, als ik het goed begrepen heb.”

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen