De wereld van Fellini


Toen ik voor de eerste keer bij de Trevi fontein in Rome stond, zag ik het volgende. In het water zwommen twee mannen rondjes bij wijze van wedstrijd. Ze werden aangemoedigd door een schare joelende fans. Op enige afstand stond een vijftal nonnen, gekleed in zwart habijt en witte kappen, het tafereeltje gade te slaan. Ik ben in het land van Fellini, dacht ik. Felliniaans. Het enige bijvoeglijk naamwoord dat van de naam van een regisseur is afgeleid. Ter aanduiding van een surrealistische wereld vol van vreemde dromen en grotesken. Het circus Fellini. In het filmmuseum Eye in Amsterdam is de hele zomer een tentoonstelling te zien, gewijd aan deze maestro van de cinema.

De Trevi fontein doet natuurlijk ook meteen denken aan de beroemde scène uit La dolce vita (1960) met Anita Ekberg en de society reporter Marcello Mastroiani, die soms het alter ego van Fellini speelde. Fellini ontdekte Ekberg in een blad (populaire cultuur was één van zijn bronnen). De term paparazzi – naar Paparazzo, de fotograaf in de film – is inmiddels ingeburgerd en La dolce vita is al lang een cultfilm over de society wereld van toen en nu. Zo zijn er vele scènes uit de films van Fellini (1920 – 1993) die op het netvlies van menig filmliefhebber gebrand staan. Neem de brullende boeienkoning in La Strada (1954), de tirannieke regisseur met de zweep uit Otto e mezzo (8 ½ 1963) en de vrouw die de jongen uit het dorp liefdevol tussen haar enorme borsten klemt (ze kreeg na de release talrijke huwelijksaanzoeken) uit Amarcord (1974). Allemaal archetypen uit het universum dat we felliniaans zijn gaan noemen.

De expositie in het Eye is niet chronologisch ingedeeld, maar wordt gepresenteerd als een ‘visueel laboratorium’, waarin een groot aantal filmfragmenten te zien zijn en meer dan 400 documenten. Als toeschouwer word je zo voor enige tijd ondergedompeld in die wonderlijke wereld van Fellini, in die bonte parade van grotesken. We krijgen inzicht in zijn inspiratiebronnen, het ruwe materiaal van zijn creatieve proces aan de hand van een viertal ‘hoofdstukken’. Fellini begon zelf als cartoonist voor tijdschriften en putte veel inspiratie uit allerlei vormen van populaire cultuur. Fotoromans, bladen en tijdschriften, strips, rockmuziek, katholieke en politieke parades, en vooral ook het circus. Lo seicco bianco (The white sheik 1952) is bijvoor beeld gemaakt op basis van de gelijknamige fotoroman. Parades zie je in vele van zijn films. Van fascistische optochten, bv. in het genoemde Lo seicco bianco, tot een processie van prostituees in Roma (1972) en een optocht van motorrijders in dezelfde film. Maar ook parades van straatwerkers, clowns, en vooral ook katholieke processies. Voor Fellini was de Katholieke Kerk een vorm van weelderig en pompeus theater. Zijn tegenstanders verweten hem dat hij zich er te weinig tegen afzette. En dan was er het circus dat hem inspireerde in tal van films. Als ik geen filmmaker was geworden, dan was ik circusdirecteur geweest, zei hij altijd. Denk maar aan La strada met zijn vele circusfiguren (onder wie Anthony Quinn en Fellini’s vrouw Gulietta Masina), en aan de clowns in Otto e mezzo en I Clowns (1970). En dan zijn er natuurlijk de carnavalsfiguren, bv in I Vitelloni (1953). En alle andere bonte en groteske personages, stammend uit een lange traditie van commedia dell’arte. Neem alleen al de levende karikaturen uit Satyricon (1969) en Ginger and Fred (1986). Je kijkt nog steeds je ogen uit, als je al deze fragmenten uit zijn films opnieuw ziet. Van de casting sessies op zich hadden al felliniaanse films gemaakt kunnen worden. Meestal hield Fellini zich niet aan strakke plots. We zien eerder een aaneenrijging van bonte taferelen, van wonderlijke beelden en kleurrijke fantasieën. In zoverre was voor hem cinema eerder een vorm van schilder- dan verhaalkunst.

In het tweede ‘hoofdstuk ‘ zien we Fellini op de set, aan het werk als regisseur. Samen met alle anderen, waaronder vooral ook de ontwerpers van de extravagante kostuums, de set designers, cameramensen en natuurlijk componist Nina Rota, van wie je de muziek overal op de tentoonstelling hoort. Fellini werd vierentwintig keer genomineerd voor een Oscar, waarvan hij er vier verzilverde voor beste buitenlandse film, drie Oscars waren er voor de beste kostuums en eentje voor het gehele oeuvre. We zien hem aan het werk met de acteurs. En we krijgen een inkijkje in de Cinnecità Studio’s, ooit door Mussolini bedoeld als tegenhanger van Hollywood, maar die vandaag de dag in handen zijn gevallen van een vriendje van Berlusconi, die er een pretpark van schijnt te willen maken. Ook is er aandacht voor de grote zeescènes als in E la nave va (And the ship sails on 1983), en de helicopter met het Christusbeeld in La dolce vita. 

Fellini was geobsedeerd door vrouwen in al haar hoedanigheden. Dat facet krijgt aandacht in het ‘hoofdstuk’ De stad der vrouwen. Ik noemde al de vrouw met de grote borsten in Amarcord. In de films van Fellini figureren vele vrouwen die te maken hebben met de fantasieën van de regisseur, zoals de nymfomane in Otto e mezzo of de boerenvrouw in City of women (1980) en Volpina, ook in Amarcord. We zien ze terug in zijn cartoons en tekeningen, waarvan er vele op de tentoonstelling te zien zijn. Pin-up girl Ekberg strikte hij voor La dolce vita en later voor The temptations of Doctor Antonio (1970). Het zijn allemaal min of meer Jungeriaanse archetypen, zoals de hoer, de maagd, de moeder, de nymfomane, de engel, door Fellini opgezadeld met kirrende lachjes en grommende monden, of uitgekozen van wegen hun enorme borsten of billen. Of hij laat de jonge Claudia Cardinale in Otto e mezo kleden als een puur en onschuldig meisje in een wit verpleegsterskostuum. Bij foto’s van Donald Sutherland die de rol van Casanova in I Casanova di Fellini (1976) speelde, lees je dat Fellini zich identificeerde met Casanova niet omdat hij zelf ook een verleider was maar omdat hij net als Casanova niet echt van vrouwen kon houden, omdat het fantasiebeeld hem in de weg zat.

In het laatste ‘hoofdstuk’ zijn Fellini’s biografische elementen verzameld, die in zijn films een grote rol spelen. De diverse dubbelgangers, de alter ego’s in zijn films, worden belicht. Marcello Mastroanni (die in zes films van Fellini speelde) is dat heel duidelijk in Otto e mezzo, waarin hij een filmregisseur speelt die worstelt met zijn inspiratie. Maar in Amarcord en Roma zijn het jongere uitgaven van de regisseur die de hoofdrol vertolken. Ook het Dromenboek van Fellini geeft de nodige informatie over zijn fascinaties, angsten en dromen die in veel van zijn films een rol spelen. En dan is er nog de figuur van Gulietta Masssima met wie Fellini veertig jaar samen was en die in verschillende van zijn films acteerde.

In Italië doen zich nog steeds felliniaanse taferelen voor. Je hoeft maar te denken aan de ramp met de Concordia die te dicht langs de kust voer omdat de kapitein een bekende wilde groeten, en je ziet een film van Fellini voor je (Amarcord of E la nave va). Met Berlusconi, de mafste aller buffoni, heeft Fellini overigens nooit iets opgehad. Aan het eind van zijn leven maakte hij reclamespotjes. Met lede ogen zag hij hoe de tv de film kapot maakte. Op een gegeven moment werd hij uitgenodigd door Berlusconi die toen nog niet in de politiek zat. Die wilde misschien wel een film van Fellini produceren. Toen de regisseur daarvan terugkwam schijnt hij gezegd te hebben: “Nooit van mijn leven met deze ordinaire vent.” Zijn laatste film, La voce della luna (1990), vertelt het verhaal van een man, gespeeld door de Italiaanse komiek Roberto Begnini, die verliefd wordt op de maan. In al zijn sprookjesachtigheid levert deze film duidelijk kritisch commentaar op de tv-pulp van Berlusconi’s zenders.

Alle films van Fellini zijn deze zomer in het Eye te zien.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen