Een tweede literaire zomerhit

Na Stoner van John Williams staat ook Alles wat is van James Salter al enige tijd bovenaan in de literaire hitlijsten. De eerste Amerikaanse auteur is in 1994 overleden, de tweede heeft zijn boek dit jaar op 88 jarige leeftijd gepubliceerd. James Salter is altijd een writer’s writer geweest, ook in Nederland. Naar aanleiding van zijn laatste roman toog Tommy Wieringa naar de VS, waar de schrijver hem in zijn oude Mercedes E190 op een stationnetje aan de Long Island Railroad kwam afhalen. En Ernest van der Kwast reisde naar een openbaar interview met Salter in Bristol,waar het hem lukte de bewonderde schrijver persoonlijk te spreken. Wat maakt dit boek van vrouwenman en voormalig gevechtspiloot Salter zo populair?

The New Yorker noemde All that is ‘the last book’. Als je niet zou weten, wie Salter is, dan kon je niet vermoeden dat dit ‘laatste boek’ geschreven is door een man van 88. Zo zuiver en precies is het, zo
droomachtig ook en zo licht, zo vrij van het gewicht van zijn jaren. Salter had al een carrière bij de Amerikaanse Luchtmacht achter de rug, toen hij zijn eerste roman publiceerde. The Hunters (1956), ook verfilmd, is gebaseerd op zijn ervaringen als gevechtspiloot in Korea en The arm of Flesh (1961) gaat over de tijd dat hij diende op Bitburg Air Base in Duitsland. In zijn memoires Burning the days (1997) verhaalt hij van zijn tijd op de opleidingsbasis Westpoint in de VS, waarin de bloedstollende beschrijving van de clash met zijn vliegtuig op een huis voorkomt. Het erotische A sport and a pastime (1967) gaat over de periode dat hij in Europa, en vooral Frankrijk, verbleef. In 1975 respectievelijk 1979 verschenen zijn romans Light years en Solo Faces. Verder was Salter werkzaam als scriptwriter, hij schreef één poëzie- en drie verhalenbundels en een literaire eetkalender. Met All that is publiceerde Salter dus na 34 jaar weer een roman, zijn zesde, die door de Amerikaanse uitgeverij Knopf halverwege het jaar 2012 werd aangekondigd als een ‘extraordinary literary event’. Inmiddels prijkt het boek op allerlei bestsellerslijsten en wordt het lovend besproken in de pers. En terecht. Het verhaal over Philip Bowman, geboren in 1925, het jaar waarin ook Salter het levenslicht zag, zit vol prachtige taal, bevat uiterst sensueel en suggestief proza, en dialogen die verhullen en toch alles vertellen. Al kun je in zijn vroegere werk invloed aanwijzen van Ernest Hemingway, en later van de Russische schrijver Isaac Babel, Salter heeft een heel eigen stijl, die wel eens ‘leeg’ is genoemd. De auteur zegt geen woord te veel. Hij schaatst op marmer, zoals Wieringa het uitdrukt. Aan de oppervlakte komt te voorschijn wat Salter wil zeggen, daaronder stroomt en kolkt het verhaal.

In Alles dat is volgen we het leven van Philip Bowman , vanaf zijn jonge jaren bij de marine totdat hij ergens in de vijftig is. Zijn schip wordt aangevallen bij het Japanse Okinawa, maar hij overleeft het. Na de oorlog gaat hij studeren in Harvard, waarna hij als redacteur belandt bij een New Yorkse uitgeverij. Vooral het literaire leven in het New York van na de oorlog vormt het decor van de roman.
Erg origineel kun je het verhaal niet noemen. Het gaat over een man en zijn liefdes. Bowman trouwt.
Salter schrijft: “Bowman was gelukkig, of had het gevoel dat hij gelukkig was.” En even later staat er: “Hij hield niet alleen van haar om wie ze was maar ook om wat ze zou kunnen zijn (…) Wanneer je verliefd bent, zie je een gedroomde toekomst.” Terloopse formuleringen die, zoals vaak bij Salter, klinken als gongslagen. Na een poosje blijken Bowman en zijn vrouw, kinderloos overigens, uit elkaar gegroeid en ze scheiden. Daarna duiken andere vrouwen op, sommige voor korte tijd, andere, zoals de Londense Enid, de echtgenote van een collega, wat langduriger. Enid lijkt de perfecte vrouw voor Bowman. Hij overweegt zelfs naar Londen te verhuizen , maar dan moet Enid wel eerst scheiden. Helaas komt dat ‘nu even niet uit’. Dan volgt een affaire met de schoonheid Christine, voor wie Bowman een huis koopt op het platteland, dat ze hem op slinkse wijze afhandig zal maken. Jaren later neemt hij wraak op haar. En zo volgen er nog een aantal liefdes. Uiteindelijk blijft Bowman een buitenstaander zonder vrouw, kind of huis. Toch omarmt hij het leven en hij blijft een optimist. In het laatste hoofdstuk heeft Bowman weer een nieuwe geliefde gevonden. Pal na een begrafenis stelt hij de vrouw voor een reisje naar Venetië te maken. Slotzin van de roman: “Ja. Zullen we in november gaan? We zullen ontzettend genieten.” Of ze gaan genieten en of de liefde standhoudt is nog maar de vraag, maar de optimistische verwachting is er.

Behalve dat lebensbejahende vind je in Salters werk ook veel weemoed. Verlangen en weemoed die doortrokken zijn van passie. Het leven is een droom. Alles gaat voorbij, niets blijft, en toch is die wereld zo mooi, lijkt Salter te willen zeggen. De schrijver weet passie en weemoed soms in een paar zinnen op te roepen. Behalve over een fijnzinnige stijl beschikt hij over het vermogen om figuren met aandacht en liefde te portretteren. Ieder personage, hoe kort of schimmig diens optreden ook is, voorziet hij van een geschiedenis en achtergrond. En al verdwijnen die figuren ook weer uit het zicht, ze blijven je als lezer toch bij. Dat heeft soms ook een nadeel. De roman is niet erg plotgericht. We dwalen soms via associaties af naar zijpaden en bijfiguren. Salter wisselt daarbij ook nogal eens van perspectief en voert ons zo voor even mee in de eigen verhalen van deze kleine personages. Zo is er het schokkende en ontroerende verhaal van een vrouw wier man en zoon niet terugkomen van een treinreis. Maar af en toe mis je dan het kader van een wat hechter plot. Al kun je in al die fijnzinnige portretten ook de hand zien van de meester van het korte verhaal.

En dan zijn er de erotische scènes. Ze zijn niet wellustig en worden nooit belachelijk. Ze dienen ook niet zozeer om lezers op te winden, het zijn eerder odes aan de vrouw. Je zou een boekje willen hebben dat louter beschrijvingen van vrouwen aan de hand van James Salter bevat. In Alles dat is vind je niets van de behoudende, christelijke sfeer van het naoorlogse Amerika. Het lijkt alsof Salter daar duidelijk afstand van wil nemen in beschrijvingen als: “Later in hun kamer begon hij haar hartstochtelijk te kussen, haar lippen, haar hals. Hij schoof de schouderbandjes van haar jurk omlaag. Zó zou je nooit meer iemand kunnen nemen. Zijn oude geketende leven was voorbij, het was voorgoed veranderd. Ze vreeën alsof het een geweldsdelict was, hij hield haar bij haar middel, half vrouw, half vaas, voegde gewicht toe aan de daad. Ze schreeuwde het uit, als van de pijn, als een stervende hond. Ze zakten als door de bliksem getroffen in elkaar. “ Duidelijk bedoeld om zich vooral niet te conformeren aan het preutse Amerika van na de oorlog. Daarvan is in dit boek geen spoor te vinden.

Met zijn (voorlopig) ‘laatste roman’ is James Salter ontstegen aan de kring van fijnproevers. Hij is nog altijd een writer’s writer maar zijn lichtvoetige stijl en optimisme–door-weemoed-heen hebben hem nu ook bekend gemaakt bij een veel groter publiek. En dat gun je hem op 88 jarige leeftijd van harte.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen