Verzegel deze woorden niet, want de tijd is nabij.

Soms schiet ik in de lach, zonder dat ik weet waarom. Het is als een stoet komedianten die voorbij trekt, elk met zijn eigen hoop en verwachtingen, een bonte mengeling van hart en hoofd, niemand die het meer gelooft. Net als het zon gerijpte ooft, dat in de oven wordt gestoofd. Denk je niet dat het Nederlands gaat verdwijnen?

Oud worden, dat valt niet mede. Het liefst zoude ik een zeer teruggetrokken leven van boete en bezinning willen leiden. Mijn ideaal is eigenlijk: geen ontroerend goed, maar wel een flinke
bankrekening. Een ietwat uitgewoond, klein huurhuis in een volksbuurt. Alle meubelen uit containers en van de straat verzameld. Stukken kamerbreed van dito oorsprong als een schaakbord op een dronken foto netjes aaneengelegd in alle vertrekken. Sober voedsel. Als luukse slechts wijn. Dichtbij een R.K. Kerk of kapel, die bijna altijd (dag en nacht, dat was vroeger zo) open is. Huisbezoek van het Leger des Heils, het Rode Kruis en de Geriatriese dienst, die kleren, kleedjes, manden met voedsel, meubelen, zwart wit televisies, trapnaaimachines en plestik bloemen en/of planten komen brengen. Ik heb een andere naam, en weet niet meer hoe ik echt heet, behalve dat ik van hoge, geheime afkomst ben. In de achtertuin precies het soort oude fietsbanden dat ik wil. Als ik dronken ben, kijk ik naar de uitzendingen van de Evangeliese Omroep. Een 29 jarige, domme, maar nog net wel begeerlijke misdienaar komt een paar keer in de week langs voor lijfstraf en om zich te laten bezitten. Maar ik schrijf wel, aan één stuk door. Hallucinerende teksten, een ware hellevaart. Bij mij woont een doofstomme jongen, die geleerd heeft gebeden uit een missaal voor te lezen, en met wie ik samen op de markt boodschappen ga doen. Voor hem koop ik goed en duur eten, voor mezelf alles zo goedkoop mogelijk, rauwe wortelen en tweedehands eieren. Ik schrei veel, maar vaak ook sidderen de buren als ze mijn wereldverachtende, niets en niemand vrezende lach horen.

Wat vind je daarvan? Daar knapt iemand van op, waar of niet?
Toch komt dat allemaal, het Godsrijk op oudere leeftijd. Verzegel deze woorden niet, want de tijd is nabij.
Ja zeker, ik heb nog steeds ideeën. Uit de paarse nevels van de nacht, - o, wonder! - stijgt van alles en nog wat op.

Gerard Reve
(1985)


[Uit: Gerard Reve Geert van Oorschot, briefwisseling 1951-1987, pag. 530-531, uitg. G.A. van Oorschot. Bestellen?]

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen