‘De Gijs’ en andere retromania

Heel vertrouwelijk klonk het in de aanloop naar de premiѐre op 1 januari. ‘De Gijs’ wordt weer opgevoerd. Niet de Gijsbrecht. Of de Gysbreght. Laat staan: Gysbreght van Aemstel, d' Ondergang van zijn Stad en zijn Ballingschap. Nee, gewoon de Gijs. Het lidwoord getuigt al van een zekere vertrouwdheid, de afkorting nog meer. En dat terwijl het stuk sinds 1968 van de Nederlandse podia is verbannen. De aktie tomaat maakte een einde aan een vertrouwde traditie van ruim driehonderd jaar. Er is na 1968 nog wel eens wat geprobeerd met het stuk. Door Karel Briels bijvoorbeeld, in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Of door Hans Croiset bij het Nationale Toneel (deze versie kwam op kerstavond
1989 op tv – zo hoort het eigenlijk ook: Vondel had zijn stuk bedoeld voor de opening van de stenen stadsschouwburg aan de Keizersgracht in Amsterdam op kerstavond 1637, want zijn stuk speelt op kerstavond; maar dat wilden de autoriteiten niet, er zaten nog te veel katholieke elementen in en die moesten er eerst uit; zo ging het stuk 3 januari 1638 in premiѐre). En nu neemt Het Toneel Speelt de eeuwenoude traditie dus weer op, ook voor 2013. Met Mark Rietman als Gysbreght en Carine Crutzen als Badeloch. Jaap Spijkers heeft het geregisseerd als een verhaal van oorlog en liefde. Niet gortdroog. Niet als een gedeclameerde vertoning. Het wordt gebracht als een story vol liefde, verraad, vermoorde onschuld, bloed en sperma. Met een Gysbreght die niet wil opgeven, een Badeloch die haar man niet in de steek wil laten, en een vijand die brandt, moordt en verkracht. Totdat de engel-als-deus-ex-machina Gijs vraagt de stad te verlaten met de belofte dat deze driehonderd jaar later 'met grooter glans uit stof en asch herrijzen zal'. Als een plek van macht en rijkdom dus. Ten tijde van onze welvarende Republiek in de zeventiende eeuw.

Is het de behoefte aan dat historische ijkpunt van de Gouden Eeuw, waarin onze natie groot is geworden? Die periode waarin onze jonge Republiek doortrokken was van de VOC-mentaliteit, die Balkenende ons zo graag voorhield. Mark Rietman merkte in een interview op dat Gysbreght hem zo aan Balkenende doet denken: Die had ook iets verongelijkts – nou heb ik me zo voor jullie ingespannen en dan sturen jullie me zo maar weg. Is het dus dat te lang verwaarloosd sluimerend verlangen naar een gemeenschappelijk nationaal historisch referentiepunt dat misschien ook gestild wordt als we kijken naar de avontuurlijke zoektocht naar Het Oosten en de barre overwintering op Nova Zembla in de gelijknamige 3 D film? Of heeft deze retromanie met meer te maken dan het gezellig spelen met en de gemeenschappelijke beleving van nationaal erfgoed, zoals in Linda's spelshow Ik hou van Holland gebeurt?

Spelen met het verleden, niet als postmodern spel, maar als vorm van nostalgie, komt niet alleen bij het toneel voor. Ook in de muziek, zowel pop als klassiek, de mode, de film en de architectuur buitelen de retromodes soms over elkaar heen. Popjournalist Simon Reynolds gebruikt er in zijn boek Retromania: Pop Culture’s Addiction to its Own Past (2011) een passende benaming voor. Hij betrekt het begrip retromania vooral op het domein van de popmuziek, dat soms helemaal gek lijkt van herdenkingen, herenigde bands en reünietournees, albums en boxsets bij wijze van eerbetoon, jubileumfestivals en live-uitvoeringen van klassieke albums. In Nederland brengen Van Nieuwkerk en Blokhuis deze retrotrend in de popmuziek van tijd tot tijd met hartstocht op de tv, o.a. met hun item think-different-in-de-popmuziek en het programma de Nacht van de popmuziek. De jaren zestig brachten psychedelische muziek, de jaren zeventig de postpunk. Hiphop is van de jaren tachtig en rave en house zijn van de jaren negentig. Die dynamische ontwikkeling stokte volgens Reynolds vanaf de eeuwwisseling. Het is alsof het vooruitgangsgevoel in de muziek meer en meer verflauwd is, naarmate het nieuwe decennium zich ontrolde. Reynolds verbindt daaraan de vraag of de huidige nostalgie ons het vermogen om vooruit te gaan ontneemt of dat het zo is, dat we zo nostalgisch zijn, omdat de cultuur niet meer vooruitgaat?

Ook in andere sectoren speelt de retromanie dus een rol, zoals onlangs in een Cultureel Supplement van de NRC op een rijtje werd gezet. In de mode is op dit moment de blik duidelijk op de tweede helft van de vorige eeuw gericht. Prada refereert met rechtvallende grafisch belijnde jurken aan de jaren zestig, en komt in de zomer geïnspireerd door de jaren vijftig met strakke kokerrokjes. Gucci mikt komende zomer met art-decomotieven uit de jaren twintig op een nog vroegere periode. Zo blijven we – met minder geld - voorlopig nog wel even snuffelen in oude kleren en rondstruinen op rommelmarkten. Op zoek naar vintage. Ook in andere branches is het heden nogal eens een recycling van het verleden. Met dank aan Youtube en spotify. In de klassieke muziek bijvoorbeeld zijn de schatkamers van het verleden met een muisklik te openen. Voor de generatie van Bernard Haitink was de partituur hét uitgangspunt voor een uitvoering. De generatie van Jaap van Zweden diept ook opnamen van vorige uitvoeringen uit de computer op als inspiratiebron voor een eigen aanpak. En in de filmwereld is The Artist (zie mijn artikel Van zwijgende filmheld naar 3 D coryfee) een mooi en geraffineerd voorbeeld van de retrotrend, in dit geval terug naar de zwijgende film eind twintiger jaren.

Ook in het theater brengt Youtube de toneel- en filmgeschiedenis dichterbij. En jonge theatermakers zetten zich daar niet meer tegen af, maar maken er intensief gebruik van als bron van inspiratie. Vooral bij het omzetten van films naar theater, wat steeds vaker voorkomt. De revolte tegen de (toneel)traditie die met ‘Tomaat’ was ingezet lijkt tot stilstand gekomen en omgezet in respect voor diezelfde traditie. Reynolds beoordeelt de retrotrend als een zwaktebod. Ze is volgens hem louter nostalgie, stilstand, behoudzucht. De vraag is, of hij daarin gelijk heeft. Er is natuurlijk altijd gebruik gemaakt van het verleden. Zeker in de theater- en filmwereld. De stukken van Shakespeare en Tsjechov hebben tot heel ‘moderne’ opvoeringen geleid. Theater kan terugblikken maar tegelijkertijd ook vernieuwend zijn. De moderne digitale media maken het mogelijk terug te kijken en vanuit die retrospectie iets nieuws te ontwerpen. Een goed voorbeeld daarvan is de voorstelling Mephisto die op dit moment door Toneelgroep Maastricht wordt gespeeld. Via zeer oude filmpjes op Youtube kwam regisseur Arie de Mol tot een moderne expressionistische speelstijl die wonderwel in zijn voorstelling lijkt te passen.

“Hoe nu”, roept Gysbreght meermalen in het stuk van Vondel, als het water hem aan de lippen staat. Dat kunnen we nog wel verstaan. Maar de rest, dat geheel van zeventiende-eeuwse alexandrijnen, kunnen we die nog volgen? Dramaturg Ronald Klamer en vertaler Laurens Spoor hebben het een en ander licht bewerkt. En drie van de vier reyen van Vondel zijn door Willem Jan Otten vervangen door ‘gerichte gedichten’, waarbij hij zich geconcentreerd heeft op het samengaan van de geboorte van Christus op kerstavond met de excessen van moord en verkrachting in het klooster van de Clarissen-nonnen op datzelfde tijdstip. Zo komt hij tot een Rei van aanstaande moeders, een Rei van pas bevallen moeders en een Rei van kinderloze moeders. De vierde Rey, bekend als De Rey van Burghzaten over de kracht van de huwelijksliefde (“Waar werd opreghter trou dan….”) is intact gebleven.
Zo eindigt de Rei van pas bevallen moeders (Otten) aldus:

komt als wij zijn genomen echt
de vijand klaar – zal het zo zijn


komt in uw uitgerekend uur, o lieve lief,
de overwinnaar aan zijn eindelijk gerief?

Waarna Gysbreghts broer Arend (Daan Schuurmans) het vierde bedrijf opent met aan Badeloch te vertellen hoe slecht haar man het bij de Haarlemmerpoort en elders in de stad is vergaan. Want het zijn en blijven toch vooral verhalen. Reportages van de strijd in de stad. Over de truc met ‘het Zeepaerd’(zoals destijds in Troje). Verhalen die vooral door Mark Rietman welluidend worden verteld. In zeer beeldrijke en poëtische taal. Dat wel. Pas in bedrijf vijf staan Gysbreght en Badeloch, in een mooi uitgespeelde scѐne, voor het dilemma: blijven of weggaan? En dan volgt de ontknoping door de engel Rafaël die dat in de persoon van Fockeline Ouwerkerk ontroerend doet. De voorspelling van een grootse herrijzenis van de stad in latere tijden deed de zaal van de Amsterdamse stadsschouwburg bij de premiѐre hoorbaar goed.

De premiѐre op 3 januari 1638 een eindje verderop in de door Jacob van Campen ontworpen (en later uitgebrande) nieuwe schouwburg van toen betekende ook het in gebruik nemen van nieuwe toneelmachinerieën zoals die waarmee de engel Rafaël, uitgedost met echte zwanenvleugels, neerdaalt uit de hemel. Daarvoor had het publiek zich al kunnen vergapen aan spectaculaire tableaus van zwijgende personages, waaronder een lekker bloedige uitbeelding van het uitmoorden van het nonnenklooster.
Bij de premiѐre op 1 januari 2012 moeten we ons ‘behelpen’ met een machtig geluidsdecor aan het begin van elk bedrijf en een kantelende stalen constructie (Gijs staat buiten hoog, op de stadsmuur, terwijl de scѐnes binnen laag worden gespeeld).
Het effect dat de Gysbreght bij de Amsterdammers van toen moet hebben gehad, was opluchting: de uitwassen van die feodale, achterlijke tijd (omstreeks 1300) waren god zij dank voorbij. En Amsterdam was geworden, wat al vanuit de hemel aangekondigd was.
Die belofte leek ook de uitverkochte zaal van nu nog iets van trots te geven. Tegelijk deden de reien van Otten beseffen, dat de beschreven excessen de wereld nog niet uit zijn.

Geheel in de lijn van gedigitaliseerde retrotrend heeft het Theater Instituut Nederland een app ontwikkeld, waarin de kijker wordt meegenomen op een rondleiding door ‘het Amsterdam van Joost en Gijsbrecht’. Het Vondelpark is daarin natuurlijk (nog) niet opgenomen.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen