Cabanga

“Mijn geliefde,

Je zult begrijpen hoe blij ik was onverwachts een brief van je te ontvangen; want zoals men zegt als je reist kun je in een liefdesnacht makkelijk iets beloven……..”.

Wie schrijft deze woorden? Aan wie zijn ze gericht? Wie is die minnaar voor één nacht. Of is het een minnares? En wanneer is deze brief (want dat is het) gepost? Wat voor een postzegel sierde de enveloppe?
“Maar ik zie”, zo gaat de brief verder, “dat je je eraan houdt en dat je aan me denkt. Ik zal je zeggen, dat ik toen ik je op het station voor het laatst zag een grote cabanga voelde opkomen…”

De adressant lijkt een man te zijn. Wie anders belooft er van alles en nog wat dan hij? Maar wat is dan een cabanga? Is de briefschrijfster een Spaanse of inwoonster van een Spaanstalig land? 

“….misschien weet je niet wat dat is, het is droefheid om het gescheiden zijn van de persoon die je lief hebt en ik hoop dat het jou ook zo vergaat.”

Het vergaat hem inderdaad ook zo getuige de inhoud van verschillende brieven die hij haar zal schrijven: “Ik leef alleen in afwachting van een brief van jou. De dag dat ik je brief ontving bracht ik huilend door en ik ben erg triest en verlangend je te zien.”

In het slot van haar eerste schrijven is zij zeer hoopvol gestemd: “In afwachting van je volgende brief en de nadering van je terugkeer. Zeer veel kussen en strelingen zoals in die nacht.”

De brieven kwamen dus wel. De kussen en strelingen niet. Hij is nooit teruggekeerd. Het was een verscheurende maar vergeefse liefde. Het zou niet, het kon niet, het mocht niet. Helaas. Het was een echte Slauerhoff- liefde. We kunnen erover lezen in Het heele leven is toch verloren, een uitgave ter gelegenheid van het dit jaar aan Slauerhoff  gewijde Festival Literaire Meesters, waarin  nog niet eerder uitgegeven gedichten en  brieven van en essays over Slauerhoff zijn opgenomen onder redactie van Arie Pos en Menno Voskuil. Op de vraag Waarom moeten jonge mensen deze dode dichter lezen? antwoordde Pos in de VK van 9 november j.l.: “Veel van zijn werk gaat over seks, drugs, exotische oorden en hij was steeds op zoek naar geluk. Allemaal dingen die reuze belangrijk zijn. Als je puber bent, tenminste.” 

De aanduiding puber viel ook herhaaldelijk tijdens de in het kader van dit festival gehouden avond over de rol van Slauerhoff in de moderne Nederlandse literatuur. De sprekers verwezen bijna allemaal naar hun eigen puberjaren waarin ze in aanraking waren gekomen met het werk van Slauerhoff. Dan ben je recalcitrant, je wilt weg, grenzen overschrijden, uitbreken uit dat benauwde en duffe van je eigen omgeving, weg van de ‘binnenkamers’ en ‘binnenwateren’. Je zou ook wel willen “sterven aan de oevers van de Taag”. Je herkent je in zinnen als: “In Nederland wil ik niet blijven / Ik zou dichtgroeien en verstijven” of  “nergens vind ik vree, op aarde niet en niet op zee”. Dat rusteloze van de zwerver, het alsmaar verleggen van de horizon, het treuren om verloren paradijzen, het escapisme. Het past allemaal bij de eeuwige puber die ieder van ons soms nog even wil zijn. 
Slauerhoff is geen taalvirtuoos, hij is hier en daar slordig in woordkeus en ritmevoering (met opzet soms omdat hij geen perfectie kon verdragen), maar hij weet wel gevoelens te raken en op te roepen die horen bij wat de schrijver Milan Kundera  ‘de lyrische leeftijd van de zestienjarige’  heeft genoemd. Grote romantische gevoelens met warmte onder woorden gebracht. Met warmte. Anders had Cristina Branco zijn gedichten nooit in  het Portugees kunnen zingen.

Op genoemde avond sprak Willem Otterspeer over de bewondering van Willem Frederik Hermans voor Slauerhoff, vanaf het moment dat hij in 1936 als – jawel – 15 jarige jongen een foto van Slauerhoff in de krant had gezien, toen deze op 38 jarige leeftijd was overleden. Hier werden even twee evenementen gecombineerd: Nederland leest (waarin elk bibliotheeklid deze maand zich gratis De donkere kamer van Damocles kan aanschaffen) en het Festival Literaire Meesters (over Slauerhoff).
Hermans omschreef Slauerhoff’s werk als ‘lange snikken, tranen waarin de hele wereld gekristalliseerd wordt’. Hij herkende in de Friese poète maudit het verlangen naar een groots leven, zijn hang naar een duivelse slechtheid en zijn neiging tot poseren. 
Christiaan Weijts was uitgenodigd, omdat zijn novelle De etaleur geїnspireerd is op Slauerhoffs geliefde en vrouw, de danseres Darja Colins. Schrijver Jan Brokken is even reislustig als Slauerhoff, die onder meer figureert in zijn roman Blinde passagiers, waarin Brokken regels citeert uit het gedicht Winterval, een verschijnsel dat hij overigens later op zijn reis naar Estland meemaakte waar hij materiaal ging  verzamelen voor het prachtige boek Baltische Zielen (zie Filmmuziek). Hij vergeleek op deze literaire avond Slauerhoff met Terborgh en de Franse schrijver Segalen, die ook zo’n hang naar het verre exotische Oosten hadden. Maar in tegenstelling tot Slauerhoff hadden  de diplomaat-schrijver Terborgh en Segalen, evenals Slau scheepsarts, een oprechte interesse voor het onbekende en het exotische. Voor de ‘Rimbaud van Leeuwarden’ was reizen eerder een vlucht, een ‘moeten’ geboren uit onvrede en onmin. 

EN TOEN KWAM KADER ABDOLAH. De laatste spreker van de avond. Hij droeg zijn roman Spijkerschrift op aan Slauerhoff en hij zegt de reiziger Slauerhoff in zichzelf te herkennen. Het eerste gedeelte van zijn spreekbeurt wijdt hij aan zichzelf. Dan brengt hij Slauerhoff ter sprake. Ik, Kader Abdolah, las Slauerhoff woord voor woord…en ik begreep hem, ik begreep alles. Ik, Kader Abdolah weet: Wind, Water, Wind, Weg…dat is Slauerhoff. Na nog een aantal van dit soort weetjes kwam hij tot de kern die vervat ligt in de bekende versregel “Ik woon in mijn gedichten”. Kader Abdolah is tot het inzicht gekomen, dat Slauerhoff zich hierin vergiste. Hij woonde niet in zijn gedichten, maar hij moest altijd weg om ze te kunnen schrijven. Maar ik, Kader Abdolah, ben verhuisd naar de Nederlandse taal en ben daar blijven wonen. Vaak is de vraag gesteld in hoeverre Slauerhoff  poseerde als verdoemd dichter. Of hij nu een poseur was of niet, Abdolah is het in ieder geval wel. 
Tenslotte kwamen de heren onder leiding van Aleid Truijens tot de slotsom dat Slauerhoff puur Hollands is. Maar ook weer niet. In Frankrijk wordt hij gezien als een discipel van Rimbaud en Verlaine. In Portugal worden zijn gedichten gezongen.

Brak fadozangeres Christina Branco door met gezongen gedichten van Slauerhoff in het Portugees, Nynke Laverman deed dat met een cd waarop ze Slauerhoff in het Fries zingt. Branco opende het festival over Slauerhoff op 10 november. Leverman zorgt voor een slotode op 25 november. 
Tussen die twee concerten vinden tal van festiviteiten plaats. Er is een theatervoorstelling over ‘de Don Quichote der zeeën’ en danseres Darja Collin. Er worden verschillende films vertoond: Een documentaire uit 1998 van Cees Nooteboom en Hans Hulscher, waarin ze de dichter, romancier, zwerver, minnaar en scheepsarts achterna reizen, van Porto naar Shanghai, om te eindigen op de laatste rustplaats van Slauerhoff in Hilversum. Verder de speelfilm Camŏes (1948) over de Portugese renaissanceschrijver Camŏes, van wie Slauerhoff zich als een reїncarnatie beschouwde en die ook in lezingen als Slauerhoffs grote voorbeeld ter sprake komt. Deze film is voor het eerst in Nederland te zien. Dan I crimen del padre Amaro (2002) naar Slauerhoffs vertaling van de roman van Eça de Queiroz. En een documentaire over Victor Segalen en diens expeditie in 1914 naar China. 
En dan zijn er nog literaire diners, met optredens van o.a. de gebroeders Flint (zij hebben ook een cd met vertolkingen van gedichten van Slauerhoff gemaakt), verschillende dichters, fadozangeres Maria de Fátima en flamencozangeres Erminia Fernandéz Córdoba. Tenslotte is er nog een nachtcluboptreden met dichters en wereldreiziger Jelle Brandt Corstius die voordraagt uit het werk van Slauerhoff en van de Russische dichter Boris Ryzhy over wie Aliona van der Horst in 2008 zo’n mooie documentaire heeft gemaakt, die nu weer op het IDFA is te zien. En dan zijn er nog literaire wandelingen in Utrecht ‘dicht op de huid van Slauerhoff’. 

Oh ja, de vrouw van de cabanga was Caridad Rodriguez, boekverkoopster en woonachtig te San José, de hoofdstad van Costa Rica. Slauerhoff bezocht de stad per trein rond 10 juni 1935 toen zijn schip de Venezuela een dag in Puerto Limón lag. Zijn bezoek aan een danszaal werd niet zo’n verschrikking als Cees Nooteboom beschrijft in zijn verhaal De matroos zonder lippen maar eindigde in een onvergetelijke nacht in hotel Costa Rica. De volgende ochtend treinde de scheepsarts om 9 uur terug naar de havenstad. Een briefwisseling volgde. Op 20 februari 1936 schreef Slauerhoff aan het eind van zijn krachten een laatste brief aan zijn Caridad. Geveld door malaria-aanvallen en bronchitis ligt hij dan ziek bij zijn moeder thuis. Vandaar verhuist hij naar een rusthuis in Hilversum waar hij op 5 oktober 1936 op 38 jarige leeftijd stokoud overlijdt. Dat is – in vergelijking met dichters als Shelley en Keats – voor een romantisch dichter inderdaad aan de oude kant. En daarmee was Caridad dus zijn laatste ‘verre prinses’. 

Slauerhoff heeft toentertijd op zijn manier de Nederlandse literatuur nieuw leven in geblazen. Nu waait er dus weer even een warme zwoele wind door het koude Utrecht. Want daar speelt het  (zie  HYPERLINK "http://www.literairemeesters.nl" www.literairemeesters.nl) zich twee weken lang allemaal af. 
En de romantische wereldreizigers van nu? Zij hebben het gemakkelijker, op een enkele verbeten roeier, zeiler of fietser na. Daarentegen hoeven zij niet meer te rekenen op een zekere koloniale bescherming die blanke globetrotters als Slauerhoff en Segalen in hun tijd nog wel genoten. 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen