De film PLAY van Ruben Őstlund: een spel met discriminatie en omgekeerde discriminatie

Onlangs zorgde een discussie over 'negerhoeren' weer voor enige ophef. Het begon allemaal met een bericht in Het Parool. Vijf jongens van Marokkaanse afkomst mishandelden in maart in het centrum van Amsterdam een zwangere vrouw, waardoor zij mogelijk haar baby heeft verloren. Opmerkelijk was, dat de vrouw zelf ook van Marokkaanse afkomst was. Ze was in de ogen van haar belagers een 'negerhoer', omdat ze met haar vriend, een zwarte jongen, over straat liep.

Journalist en Marokko kenner Bart Schut schreef er in de Volkskrant een opiniërend artikel over onder de titel “Hebben Marokkanen een racisme probleem?, een vraag die hijzelf met een volmondig ja beantwoordt, daarbij wijzend op discriminatie in Marokko ten opzichte van Berbers en zwarte Afrikanen. Een paar dagen later zit Schut bij PenW tegenover Hassnae Bouazza, die het 'incident' zoals zij de mishandeling noemt, afschuwelijk vindt, maar ze wil niet met dat 'gajus'' vereenzelvigd worden.

Samira Bouchibti (schrijfster van het boek De Islam, de moslims en ik dat onlangs op deze site besproken werd door Carel Brendel) beaamt in De Spits, dat Marokkanen discrimineren. Overigens net zozeer als de meeste bevolkingsgroepen dat doen. In hetzelfde artikel in De Spits wijst Ibrahim Wijbenga, CDA-raadslid in Eindhoven en zoon van een Friese vader en een Marokkaanse moeder, op de onder liggende frustratie waar het volgens hem in dit geval om gaat en die zich uit in de straatcultuur van Marokkaanse jongens. Zij blijven in hun ontwikkeling vaak achter bij Marokkaanse meisjes, die soms een beetje op hen neer kijken en relaties met andere jongens aangaan. Iets dergelijks zie je eveneens gebeuren in een kleine scène in de film Snackbar (zie Turks-Marokkaanse Snackbar in het nieuwe filmmuseum).

De socioloog/criminoloog Jan Dirk de Jong reageert in de Volkskrant weer op Bart Schut. Hij betoogt, dat racisme voor Marokkaanse straatjongens hoofdzakelijk een effectief wapen is om mee te provoceren maar geen diep gewortelde ideologie. Een straatjongen met een afwijkende etnische afkomst kan racistische uitlatingen ontkrachten door zich te handhaven op straat. Je moet je volgens De Jong dan ook niet blind staren op ‘de’ racistische opvattingen van ‘de’ Marokkanen maar de straatcultuur in achterstandswijken aanpakken.

Deze laatste opvatting komt in de buurt van wat de
Zweedse filmmaker Robert Őstlund in zijn film Play (nu in de Nederlandse bioscopen) laat zien. Daarin observeert hij het straatgedrag van vijf zwarte jongens in Göteborg (Zweden), waarmee hij een als racistisch betitelde knuppel in het politiek correcte Zweedse hoenderhok gooit. In het land waar de afgelopen week het proces is begonnen tegen Peter Mangs, door Breivik in zijn proces een ‘held’ genoemd, die in 2009 een blanke twintigjarige vrouw dood schoot. De man met donkere huidskleur naast haar in de auto raakte zwaar gewond. Mangs wordt verdacht van in totaal drie moorden en twaalf pogingen tot moord op voornamelijk mensen met een donkere huidskleur. 

Ook voor Őstlund is het de vraag of het in zijn film wel om racisme gaat. Is er niet veel eerder sprake van een speciaal groepsgedrag en van specifieke interactie patronen, zo lijkt hij te willen poneren met zijn film Play.

We zien van bovenaf de hal in een modern winkelcentrum in Göteborg. Twee blanke Zweedse jongetjes van een jaar of tien staan druk met elkaar te praten. Paniek. Ze zijn geld kwijt. Misschien hebben ze het in één van de winkels laten liggen. Dan moeten ze terug naar boven. De camera gaat langzaam naar links waar vijf Zweedse jongens van Afrikaanse origine, een jaar of 13/14/15, bij elkaar hangen. Ze hebben die twee jongetjes in de gaten. Wie gaat erop af? Wie is de good cop, wie is de bad cop? Ze spelen iet-wiet-waai-weg (Nederlandse vertaling) om de rollen te verdelen. Dan gaat de camera een paar keer langzaam heen en weer. Soms vat deze het totaalbeeld. Steeds vanaf dezelfde plek. Van bovenaf. Daarmee is de toon gezet. Het is de pan van een registrerende camera. Het lijkt wel een veldonderzoek. En dat wordt het ook. Een soort antropologische studie van een donkere straatgroep en zijn prooi: blanke Zweedse jongetjes, zichtbaar niet streetwise, een door moeder op het hoofd gezette muts op. Het spel wordt al snel duidelijk. Of ze je telefoon mogen zien. Hee, die lijkt wel erg veel op die van een broertje van één van hen. Nee, die broer is niet hier, wel verderop. Een klein eindje verderop. En dan toch net weer iets verder. We zijn er bijna. Nog even. De jongens spelen slim verschillende rollen: de één dreigt, de ander sust, de één provoceert, de ander doet vertrouwelijk. Het lijkt een doorzichtige truc, deze roofmethode van observeren, volgen, aanspreken, intimideren, meevoeren, en – tenslotte – leegschudden, maar Őstlund laat zien dat het werkt. Bij deze jongetjes in ieder geval wel. Hij baseerde zich trouwens op de werkelijkheid. Meer dan veertig berovingen door hetzelfde groepje jongens onderzocht hij. Steeds gingen de jongetjes braaf met hen mee naar een buitenwijk ergens achteraf. Opmerkelijk is, dat slechts in twee gevallen de jongetjes om hulp riepen, en dan was het ook meteen afgelopen.

Őstlund zette de werkelijkheid bewust naar zijn hand. In de zaak die hij onderzocht, waren niet alle jongens donker, maar in de film is dat wel het geval. Om de zaak op scherp te stellen, zo verklaarde de regisseur in een interview. Het spel met de eerste twee jongetjes blijkt snel uitgespeeld, wordt in de film niet afgemaakt. De volgende prooi dient zich aan in één van de winkels boven: twee blanke jongetjes van 12 en een Chinese jongen, net iets ouder, met een koffertje (waarin – zoals later blijkt – een klarinet zit, voor muziekles). We horen de donkere jongens buiten beeld hun spelletje iet- wiet- waai- weg spelen. Dat gebruik van een o(ff) s(creen) zal vaak voorkomen. De camera beweegt niet maar houdt hetzelfde beeld, terwijl daarbuiten ondertussen van alles gebeurt. We weten nu dat het roofspelletje weer uitgeprobeerd gaat worden, maar de filmer heeft dit tweede prooigroepje op zijn eigen manier samengesteld. Chinezen integreren ogenschijnlijk in elke situatie snel. Dat is hier ook zo. De Chinese jongen vormt met de twee Zweedse jongetjes één groep. Toch is er onderscheid tussen hem en de andere twee. De twee Zweedse jongetjes zullen hem ook proberen te gebruiken. Ze zullen trouwens ook ruzie met elkaar krijgen. Net zoals het groepje van vijf één van hen uit zal stoten, als deze er de brui aan wil geven. Dat kan binnen de dynamiek van de groep niet straffeloos gebeuren.

Őstlund plaatst de camera dus opvallend vaak niet in het midden van het drama (zoals dat in Snackbar duidelijk wel gebeurt) maar aan de zijlijn van het groepsgebeuren. Dat levert een opvallende manier van beeldend vertellen op. Het is alsof je als bioscoopbezoeker meekijkt door het objectief registrerende oog van een beveiligingscamera. Op die manier wordt de kijker een soort voyeur, een getuige, een omstander, net zoals de toevallig passerende voorbijgangers in de film die soms wel door hebben dat er ergens iets niet klopt maar die niet of onvoldoende ingrijpen. Er zijn nogal wat van deze stille getuigen in de film, maar niemand dus die echt iets doet. Voor Őstlund vertegenwoordigen zij de zwijgende meerderheid in Zweden die zich nergens mee wil bemoeien. De vraag is of zoiets ook in Nederland zou kunnen gebeuren. Of dat het te maken heeft met dat typische Zweedse schuldgevoel, waarvan het toneelwerk van August Strindberg en Lars Norén al doordrenkt was, en met die politiek correcte houding van vele Zweden. Het gegeven van je zoveel mogelijk gedeist houden werkt Őstlund op een geestige manier uit in parallelle scènes met een wieg die in een trein op weg naar Göteborg in de weg staat, maar door niemand opgehaald wordt ondanks herhaaldelijke – beleefde - verzoeken van het treinpersoneel. Uiteindelijk belandt de wieg bij een gezin, waar één van de donkere jongens deze komt ophalen voor zijn vader. Dat is een goed georganiseerd gezin. Zo blijft Őslund z’n spel met (voor)oordelen spelen.

De lange tocht (bijna in real time) naar de buitenwijken van Göteborg wordt een ware hellevaart. Het prooigroepje van drie wordt getest, getergd en uitgedaagd. Eén van de jongetjes moet zich honderd keer opdrukken, de Chinese jongen schijt in zijn broek van angst en de derde probeert te ontkomen en klimt in een hoge boom. Uiteindelijk wordt er – we zijn dan al in een afgelegen natuurgebied beland – een hardloopwedstrijd gehouden: de Chinese jongen tegen één van de donkere jongens. Iedereen heeft al zijn bezittingen in een jas moeten gooien. De winnaar krijgt alles. Die wedstrijd wordt natuurlijk ook gespeeld, of beter: onzuiver gespeeld. De donkere jongens gaan er met alles vandoor. Het prooigroepje loopt volkomen out en leeg richting de eerste de beste tramhalte, terwijl een langlaufer op skeelers (weer zo’n prototype van de zwijgende Zweed) hen langzaam voorbijgaat. In de tram worden ze bekeurd en vermanend, zeer betuttelend toegesproken door een conducteur, zoals dat ongeveer gebeurde door het personeel in de trein naar Göteburg, waar niemand acht sloeg op die wieg die maar in de weg stond en bleef staan. Op en top Zweedse braafheid?

Tegenover al die keurigheid plaatst de regisseur de handigheid waarmee de roofgroep de voordelen die over hen bestaan ook weer uitbuit. Parallel daaraan laat hij een Zuid Amerikaanse muziekgroep zien, die in het centrum van de stad flink uitgedost in indianentooi die nergens meer zo gedragen wordt (behalve door Joan Franka dan), optreedt en die later – net als de roofgroep – met veel plezier van het opgehaalde geld in een restaurant zit te eten. Dat gebeurt overigens allemaal heel terloops. Nooit met nadruk. Alles wordt geregistreerd, zoals in een antropologisch onderzoek. Dat uitspelen van vooroordelen over zichzelf zien we natuurlijk overal, lijkt Őstlund met zijn registrerende filmvertelling te willen zeggen. Mutatis mutandis kun je het ook ontdekken in het gedrag van een groep als die van Oh Oh Cherzo, wanneer deze bijvoorbeeld te gast is in een programma als dat van Paul de Leeuw. Een ieder speelt zijn rol en speelt de (voor)oordelen over hem/haar en de groep als geheel lekker vet en gretig uit.

De cruciale scène van de film is die waarin de vaders van de twee blanke jongetjes één van de donkere jongens (met een broertje en de wieg) op een pleintje in de stad tegenkomen. Eén van de vaders (de ander houdt zich wat terzijde) confronteert hem met wat hij en zijn groep gedaan heeft en gewoon zijn te doen. Mobieltjes stelen. En de rest. Hij wil hem niet aangeven. Hij veroordeelt hem niet, maar hij wijst hem op zijn gedrag. En hij maakt hem duidelijk, dat hij zijn gedrag moet veranderen. Puur verbaal. Hun zoontjes hebben zich verscholen achter een boom. Twee vrouwen lopen voorbij en houden het tafereel in de gaten. Wanneer de donkere jongen begint te krijsen en de vader in het gezicht slaat, pakt deze hem bij zijn arm. Dan komen de vrouwen naderbij. Ze beschuldigen de vader(s) van racistisch gedrag en willen hen aangeven bij de politie. Hoe halen zij het in hun hoofd een zwarte jongen zo aan te pakken. Hij is twee keer zo kwetsbaar als een ander kind. De vader vertelt hoe de vork in de steel zit en heeft geen boodschap aan hun verwijten. In een interview noemde Őstlund de reactie van deze twee vrouwen een vorm van ‘omgekeerd racisme’. Zoals de donkere jongen het vigerende kleurenschema gebruikt om van zichzelf een bedreiging te maken, zo gebruiken de vrouwen het om hem te slachtofferen. De filmer vraagt zich in hetzelfde interview af, waarom wij die vijf donkere jongens als een groep zien en die twee blanke en Chinese jongens als individuen. Als iemand van een groep waar wij niet bijhoren, iets akeligs doet, zo is zijn verklaring, zien we dat als representatief voor de hele groep, Maar als iemand van de groep waar wij toe behoren iets akeligs doet, zien we dat als individueel gedrag dat niets met ons heeft te maken.

In de film zelf doet de maker geen uitspraken over ‘goed’ en ‘kwaad’. Hij laat – evenals in zijn vorige film Involuntary (2008) – de werking van groepsprocessen zien. Eén van zijn rovers laat hij op een gegeven moment zeggen: “Wie zo dom is zijn telefoon te laten zien aan vijf zwarten, heeft alleen zichzelf iets te verwijten.” Dat vat, denk ik, precies samen waar het om gaat. De donkere jongens maken gebruik van de (voor)oordelen die over hen bestaan. De beroofde jongetjes en voorbijgangers laten gebeuren, wat er gebeurt. Ze roepen geen hulp in en geven die ook niet.

De film Play is een onderzoek naar groepsprocessen al of niet gekoppeld aan raciale verschillen. Een sociaal antropologische studie. Maar het blijft ook cinema, al was het alleen maar door de originele verplotting van werkelijke gegevens in een bijzondere cinematografische taal. Het spelen met uitsneden, off screens, camerastandpunten en de steeds weer verrassende overgang naar een volgende scène, die je iedere keer weer te denken geeft, maakt de film tot echte cinema. Tot een filmverhaal waarin trouwens ook geestige momenten voorkomen. En de jonge spelers zullen het –evenals die in de Nederlandse film Snackbar- in de toekomst zeker wel gaan redden.

8 opmerkingen:

  1. Toch knap dat je criminalteit met 'groepsproces' en 'straatcultuur' weet te definieren.
    Het is echter geen straatcultuur, maar moskeecultuur, islamitische mores.
    En zoals het voor vele andere zaken geldt: Je kunt ook kiezen om niet naar de moskee te gaan, of geen deel te nemen aan een 'groepsproces'.
    Zoiets simpels behoeft geen film.

    BeantwoordenVerwijderen
    Reacties
    1. En zo is het.
      Filmmakers als deze zijn naivisten.

      Verwijderen
  2. "In hetzelfde artikel in De Spits wijst Ibrahim Wijbenga, CDA-raadslid in Eindhoven en zoon van een Friese vader en een Marokkaanse moeder, op de onder liggende frustratie waar het volgens hem in dit geval om gaat en die zich uit in de straatcultuur van Marokkaanse jongens. Zij blijven in hun ontwikkeling vaak achter bij Marokkaanse meisjes, die soms een beetje op hen neer kijken en relaties met andere jongens aangaan."

    Bijzonder zwak argument van Wijbenga. Meisjes doen het altijd beter, ook Hollandse. Bij Marokkanen is het allemaal alleen nog veel erger.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. "Overigens net zozeer als de meeste bevolkingsgroepen dat doen."

    Dat is dus niet zo. Door Marokkanen wordt veel meer gediscrimineerd en in de islamitische wereld is het racisme en antisemitisme vele malen groter dan hier. Onderzoeken van oa het Pew Research Center bevestigen dat en ondermeer Hans Jansen heeft zijn ervaringen daarmee beschreven.

    De film Play ga ik eerst zien voordat ik de bespreking hier lees. Ben benieuwd...

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Maak vandaag bij ons publiekelijk iemand voor Ongelovige uit en hoogstens uiting van een lichte ergernis zal je deel worden. En niemand wordt bang van je. Ik denk en schrijf prae-multicultureel. Maar noemde je in de Middeleeuwen iemand zo, was dat - geloof ik - gevaarlijk en kon het zijn eerste stap op weg naar de Inquisitie betekenen en vandaar de brandstapel op.

    Waar het toen ook al op zal zijn aangekomen, is dat degene die met ‘Ongelovige’ schold, wel de zekerheid moest hebben zelf van die openbare vervloeking gevrijwaard te zijn. Bijvoorbeeld omdat hij geestelijke was of van adellijke stand of zoiets; bij voorbaat dus en collectief! Als iedereen ‘ongelovig’ kan zijn, wordt het woord als vloek moeilijk hanteerbaar, en werkt hij niet meer; wat onze moderne tijd bewijst.

    Van het concept ‘Ongelovige’ kun je je nu voorstellen dat het (in de Middeleeuwen) een wapen was, in de hand van één groep contra een andere. Als je dan als lid van die ene groep de pest had aan iemand uit die andere, noemde je hem openlijk Ongelovige. Dan was die er geweest. Of op z’n minst naar Canossa. Of die echt ongelovig was of niet.

    Nu het moderne racisme. Het vervangt ‘Ongelovige’. Het is een concept, levensgevaarlijk voor landen en individuen. Op de UNO racisme Conferenties 2001 en 2009 (‘Durban’ I en II) zijn weer heftige pogingen in het werk gesteld om Zionisme tot racisme uit te roepen en de staat Israël te veroordelen omdat het zich tegen zijn vernietiging verzet.
    Duidelijk is ook dat zij die er zo hardnekkig naar streven om van Zionisme racisme te maken, overtuigd zijn er zelf nooit van te zullen worden beschuldigd.

    Hierna wordt het verhaal van die socioloog over die 5 Marokkanen jongens transparant. Van dat 5-koppig monster droop racisme om zo te zeggen af. Maar dit feit gooit een maatschappelijk verdrag omver. Racisme, het bedrijven ervan, stipuleert het, is een misdaad aan Nederlanders alias blanke Westerlingen voorbehouden. Zouden andere ‘rassen’ er zich ook aan kunnen bezondigen, houdt het concept ‘racisme’ op met als zweep te kunnen fungeren.

    In dat te voorkomen lijkt de sociologie (type JDdJ) een taak te zien. Als de een steelt - leert zij - is het stelen, als een ander van een ander ‘ras’ hetzelfde doet, is het ‘straatcultuur’; getuigen geluid en handeling van de één van racisme, exact het overeenkomstige geluid en daad van een ‘raciaal’ andere is ‘machocultuur’. De drogredenen en waanzin van de Sociologie! Zij onderzoekt niet, maar verdoezelt en wil sporen uitwissen, in dienst van, ja handlanger van wie? Van een elite hier die de racistische zweep niet kwijt wil? Wat dreigt. Want in de affaire hier aan de orde naderen Marokkanen toch wel heel dicht die ongelukkige Nederlanders. Eindelijk lijken nu ook die eersten niet meer aan de vloek van ‘racisme’ te kunnen ontsnappen. En dat is wat Marokkanen, hun vrienden, hun pleitbezorgers bezorgd, furieus en vals maakt. Het monopolie op het bezit van het wapen van racisme! dat de autochtone Nederlanders in het gareel houdt, dreigt ze te ontvallen.

    BeantwoordenVerwijderen
  5. In een ingezonden brief in de Volkskrant van 8 mei 2012 met bovenstaande titel analyseert Bart Schut een aantal voorvallen waarbij Marokkanen betrokken zijn; o.a. het mishandelen van een Marokkaanse vrouw (met een zwarte vriend) op 26 maart 2012 in Amsterdam en de bejegeningen van zijn zwarte Marokkaanse vriendin in Casablanca. Hij komt tot de conclusie dat de aangehaalde geweldplegingen voortkomen uit racisme.


    Maar komen de genoemde incidenten echt voort uit racisme?
    Islamitische volkeren voelen zich superieur aan anderen. Immers, de Koran, het heilige en absolute woord van Allah, is voor hun de enige, niet te bekritiseren waarheid. In de Koran kom je uitspraken tegen die voor andersdenkenden verre van vredelievend zijn. Omdat volgens de overlevering de Koran werd geopenbaard in het Arabisch geeft dit de Arabische volkeren meer aanzien binnen de Islamitische wereld. Dit verklaart waarom de Arabieren, die doorgaans een licht getinte huidskleur hebben, zo makkelijk kunnen neerkijken op mensen met een donkerder huidskleur en andersdenkenden. Je zou dit racisme kunnen noemen.

    Maar er spelen nog een aantal zaken die meegenomen moeten worden bij het beoordelen van deze incidenten, die overigens maar een topje van de ijsberg zijn van gewelddadige incidenten waarbij Marokkanen betrokken zijn. Er mag niet voorbij gegaan worden aan het feit dat de daders ook moslims zijn en zij hun hele leven gevoed zijn door teksten uit de Koran. En uiteraard regels vanuit hun etnische gemeenschap, waarbij de invloed van de Koran op deze regels heel groot is. E.e.a. leidt er toe dat moslims elkaar niet zullen bekritiseren (alleen Allah mag oordelen over moslims) als er sprake is van geweldpleging e.d. tegen niet-moslims. Uiteraard vindt er na incidenten binnen hun eigen gemeenschap wel kritiek plaats, omdat al heel snel de ‘eer van de familie’ in het geding is.


    Daarnaast leert de Koran ook dat je ex-moslims mag doden. Nu vindt het doden om die reden in Nederland niet plaatst, maar Ehsan Jami is bedreigd en geslagen nadat hij openlijk bekend maakte dat hij geen moslim meer was. Het is heel goed denkbaar dat als je omgaat met iemand die niet voldoet aan het beeld van een ‘echte moslim’ dat je daarmee heel snel vogelvrij bent. Na de moord op Theo van Gogh zei Aboutaleb dat ‘als je je niet wilt aanpassen aan Nederland dat je dan beter terug kunt gaan naar je land van herkomst’. Na deze toespraak moest hij enige tijd bewaakt worden omdat hij bedreigd werd. En laten we niet uit het oog verliezen dat het molesteren van homo’s de afgelopen jaren fors is toegenomen en dat de daders veelal Marokkanen zijn.


    Het is daarom heel goed mogelijk dat de slachtoffers van de genoemde incidenten niet meer als geen echte moslim (dus ex-moslim) gezien worden door geloofsgenoten en dat ze daarom beschimpt en geslagen mogen worden; vanuit de Koran krijg je sanctie (eigenlijk de opdracht) om op te treden tegen een ex-moslim en vanuit je eigen etnische gemeenschap heb je geen kritiek te verwachten!


    De Deense psycholoog Nicolai Sennels heeft een baanbrekend onderzoek gedaan onder moslimgedetineerden. In het boek ’De Islam, kritische essays’ van vader en zoon Van Rooy wordt dit onderzoek uitgebreid beschreven. Een van de conclusies was dat bij de moslimgedetineerden het fenomeen ‘empathie’ ontbreekt. Zij missen het vermogen om te beseffen wat hun daden op anderen voor impact hebben en daarom kennen zij het gevoel ....... lees verder op DAYMENING.BLOGPOT.COM

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Foutje,
    moet zijn daymening.blogspot.com

    BeantwoordenVerwijderen