Alessandro Piperno, Vervolging

Over een Italiaanse Lolita, de vernietigende kracht van de media en de devaluatie van ‘mannelijke waarden’. 

Italiaanse literatuur is in. In ieder geval nemen romans van Italiaanse schrijvers/schrijfsters de laatste jaren een prominente plek in op de planken van de Nederlandse boekwinkels. Een tijdje lagen de boeken van Niccolo Ammaniti op een duidelijk zichtbare plaats en ook de schrijver zelf was een graag geziene gast in de boekhandels. Ik bedoel dan dat Ammaniti gefêteerd werd in de dependences van Selexyzz (toen dat nog kon) en in ruil daarvoor een korte lezing hield en zijn boeken van een handtekening voorzag, vooral Ik ben niet bang en Ik haal je op, ik neem je mee (1999 – 2004 Nederlandse vertaling van Etta Maris). Ook Kluun (over Ik haal je op.. : “Er is geen boek waar ik de laatste jaren zo van heb genoten als van deze roman”) nodigde hem als speciale gast uit op zijn literaire avonden in nachtclubsetting. Ik ben niet bang is al weer jaren geleden verfilmd (beste Oscar buitenlandse film) en is op dit moment als kindervoorstelling te zien in het theater: het sfeervolle en spannende verhaal over een jongetje dat een leeftijdgenoot opgesloten vindt in een ruїne in Zuid-Italië wordt prachtig verteld en gespeeld door René Groothof.

De schrijver Sandro Veronesi is een andere literaire held in Italië. Van hem is Kalme chaos (2005) verfilmd. In mijn artikel Schrijvers van de bovenste plank besprak ik zijn laatste roman XY (2010), evenals de andere vertaald door Rob Gerritsen. Naar aanleiding van Kalme chaos zei de dit jaar overleden Doeschka Meijsing:
“Het lijkt wel of de Italianen hier de boventoon voeren met hun talent voor komedie. Zou dat allemaal terug te voeren zijn op hun commedia dell’arte-traditie? “ De eenzaamheid van de priemgetallen (2010, het debuut van Paolo Gordiano over de ontwikkeling van een vriendschap tussen twee eenzame kinderen, is niet echt een komedie maar lag onmiddellijk vooraan in de boekhandel, ook in Nederland. En is meteen verfilmd. Madeleine Matzer maakte er in Nederland een theaterbewerking van, waarvan de tournee wegens succes voorlopig is verlengd. En dan is er nog Staal (2011) van Silvia Avalone, ook al een debuut. Het verhaal over twee opgroeiende tienermeisjes in het Toscaanse kustplaatsje Piombino tegenover Elba, waar de mores van de staalfabriek en criminaliteit de bewoners beheersen. Ook haar boek kwam in Italië ѐn daarbuiten op bestsellerslijsten terecht. 

Onlangs is ook in het Nederlands verschenen Eva slaapt (vertaling van A. Habers) van de eveneens debuterende Francesca Melandri. Ook een familieverhaal tegen de achtergrond van ingrijpende historische gebeurtenissen, in dit geval in Zuid-Tirol / Alto Adige (Voel je je Italiaans of Duits?). En dan is er nog Alessandro D’Avenia wiens debuut, Wit als melk rood als bloed (2010 – Nederlandse vertaling van Manon Smits – 2011), ook al een bestseller is. In ieder geval in Italië. Een Nederlandse schrijver die zijn romans meestal in Italié situeert is Sipko Melissen. Van hem is net verschenen Een kamer in Rome. 

Nieuw is ook Vervolging (2011 – vertaling van Rob Gerritsen) van Alessandro Piperno, dat evenals zijn debuut, Met de slechtste bedoelingen (2006- vertaling Rob Gerritsen), zich in Joodse families in Rome afspeelt. Vervolging verhaalt van de Werdegang van de kinderarts en oncoloog Leo Pontecorvo (Pontecorvo is trouwens ook de naam van een Italiaanse filmregisseur, vooral bekend van The battle of Algiers – 1966), die alles buitengewoon goed voor elkaar heeft, het toonbeeld van een geslaagde man is, maar in de loop van de roman zijn totale ondergang beleeft. Genoemde Italiaanse romans hebben gemeen dat ze zich afspelen in families waarvan we de ontwikkeling gedurende twee of meer generaties te weten komen. Het gaat vooral om de ontplooiing van karakters in vaak contrasterende Italiaanse families. Hier zijn dat de goed gesitueerde intellectuele familie van Leo en die van zijn vrouw Rachel, wier vader zich in de handel heeft opgewerkt. De tragedie van Leo Pontecorvo doet denken aan het lot van Pietro Paladini in Kalme chaos, wanneer deze vanuit zijn auto voor de school van zijn dochters zijn goed georganiseerde leven ineen ziet storten. Dat van de zeer succesvolle hoogleraar en praktiserend oncoloog Pontecorvo gaat vanaf de eerste bladzijden heel erg hard bergafwaarts. De bekende kinderarts zit met zijn vrouw en twee zoontjes aan tafel, wanneer de vaste presentator van het achtuurjournaal insinueert dat Leo Pontecorvo obscene brieven zou hebben gewisseld met het vriendinnetje van zijn jongste zoon van dertien. De eerste zin van het boek luidt: “Het was 13 juli 1986 toen een pijnlijk verlangen om nooit het levenslicht te hebben aanschouwd zich meester maakte van Leo Pontecorvo.” Zo erg is het, want het blijft niet bij de insinuatie van obscene brieven. Even later zegt de verteller: “Het was zinloos om jezelf wijs te maken dat zijn prille leeftijd Samuel had belet om aan te voelen wat voor de anderen onmiddellijk duidelijk was: iemand op de tv suggereerde dat zijn vader het meisje had geneukt. En als ik ‘meisje’ zeg bedoel ik een twaalfenhalfjarig sprietje met pompoenkleurig haar en een spits, met sproeten bezaaid snuitje. Maar wanneer ik ‘neuken’ zeg bedoel ik ‘neuken’. Dus iets enorms, iets zeer ernstigs, te grof om te kunnen bevatten. Zelfs voor een echtgenote en twee zoons die zich al een tijdje afvroegen of hun man en vader wel de onberispelijke burger was op wie ze altijd zonder meer trots waren geweest.” Er zijn dan al meer verdachtmakingen geweest aan het adres van de beroemde oncoloog. Met betrekking tot allerlei frauduleuze praktijken op de door Pontecorvo opgezette en vaak als toonaangevend voorbeeld genoemde ziekenhuisafdeling. Een voormalige medewerker heeft hem zelfs van afpersing. Leo doet er luchtig over en het lijkt alsof het hem niet raakt. Zijn vrouw verwijt hem dat hij zijn kop in het zand steekt, dat hij naїef is en te veel vertrouwen heeft in zijn medemens. Was Leo erfelijk belast door het feit dat het de Pontecorvo’s altijd voor de wind was gegaan, zelfs in de oorlog, vraagt zijn vrouw Rachel zich af. Was hij verlamd door angst? Zozeer dat hij niet meer handelt? Niet meer voor zichzelf opkomt? Leo Pontecorvo lijkt in ieder geval elke confrontatie te vermijden en elke hindernis uit de weg te gaan. Als een atleet die in de wedren van het leven niet over de horden springt maar er voortdurend langs rent en ze voortdurend vermijdt. Consequentie is wel dat hij genadeloos gediskwalificeerd wordt.

Opmerkelijk is de figuur van de verteller. Het lijkt iemand te zijn die beide Joodse families zeer goed kent, het hele verhaal overziet, en ons daarvan op gedoseerde wijze deelgenoot maakt. Een alwetende verteller eigenlijk, getuige ook confidenties als: “Ziedaar al het fraais waarvan op de foto niets viel terug te vinden. (Ik heb Leo Pontecorvo goed genoeg leren kennen om te kunnen zeggen dat het drama van die verschijning op de televisie voor hem ook een tragedie van de ijdelheid was).” Of: “Rachel, sociologisch minder onderlegd dan de verteller van dit verhaal…” En getuige stipulaties als: “Het moet gezegd…” of “Op dit punt aangekomen moet benadrukt worden…” Tegen het eind van het verhaal is de mysterieuze verteller zeer nadrukkelijk aanwezig, wanneer deze vertelt hoe Telma, de hulp van het gezin, Leo Pontecorvo gevonden heeft. “Telma was degene die mij, een paar jaar later, vertelde – stukje bij beetje, en niet zonder Filipijnse terughoudendheid – wat haar ertoe gebracht had, die ochtend eind augustus, om de verboden deur van het souterrain te openen. Om het rijk van professor Pontecorvo binnen te dringen.” En op de laatste bladzijde (p. 464): “Ik vrees dat deze laatste vergelijking aan mij moet worden toegeschreven. Zeker niet aan Telma, die, gegeven de omstandigheden, niets anders wist te doen dan de klassieke kreet van afschuw slaken waarvan het wemelt in thrillers over de hele wereld.” Hier staat een ironische verteller boven stof en stijl. Hij geeft het enkele zinnen later zelf volmondig toe: “Ja, ik weet het, ik maak gebruik van ironie. En nog wel van het banale, goedkope soort.” Even verder neemt hij de houding aan van de regisseur die “de drie onbevlekte, onverzettelijke bewoners van de bovenetage” de wacht aanzegt en hen niet veel goeds belooft. De laatste zin van het boek is aan hen, de vrouw en de zoons van de professor dus, gericht: “Maar nu het dan eindelijk zover is, is het jullie beurt om op te ruimen en de rekening te betalen. WORDT VERVOLGD. “ Met deze vooruitwijzing eindigt het boek. Het is ongeveer zoals Reve zijn korte verhaal Bloed eindigt met deze cursief gedrukte en tussen haakjes geplaatste verwensing: “(Ik zal het hierbij maar laten, hoewel ik graag ook dat gemene stiefzusje een doodsmak had laten maken.)”

Alessandro Piperno
Alessandro Piperno (1972, zoon van een joodse vader en een katholieke moeder, universitair docent Frans in Rome maar ook fanatiek aanhanger van de voetbalclub Lazio Roma en zanger en gitarist in een rockband) bouwt zijn verhaal op in vier delen. Eerst maken we kennis met de jeugd van Leo en Rachel, hun huwelijk (“van elkaar houden zonder elkaar te begrijpen was het lot en het geheim van Leo en Rachel, en van vele andere, gelukkige, onlosmakelijk verbonden stellen van hun generatie”), hun vriendenkring. Deel twee verhaalt van de vakantie in Zwitserland: het vriendinnetje van de jongste zoon, Samuel, is daarbij aanwezig; ze laat bij wijze van spelletje briefjes voor Leo achter die hier niet mee weet om te gaan en besluit het spelletje mee te spelen. In deel drie maken we kennis met Leo’s jeugdvriend Herrera, nu een beroemde en beruchte advocaat, die Leo’s op het eerste gezicht uitzichtloze zaak, zal verdedigen. In het laatste deel krijgen we vooral inzicht in de relatie tussen de vader en zijn twee zoons.

Al in het begin laat de verteller ons tussen de regels door weten, dat de hoofdpersoon onschuldig is maar een hoge prijs zal moeten betalen. Toch treedt deze hoofdpersoon totaal niet op. Hij stelt zich niet te weer. Uit angst voor de publieke opinie, bang voor wat zijn vrouw en zijn zoons zullen zeggen. Uit diepe schaamte trekt hij zich in het souterrain, een kafkaëske hel, terug. Wil deze moderne Gregor Samsa zijn gezin een gruwelijke vernedering besparen? Een jaar lang overdenkt hij daar, overmand door twijfel en eenzaamheid, heel zijn leven, aan zijn lot overgelaten door vrouw en kinderen. Op bijzonder knappe wijze weet de schrijver je mee te nemen in de psyche van het hoofdpersonage maar ook in die van de andere romanfiguren. In een weergaloze en ironische stijl verbindt hij heden met verleden, voert hij je mee naar gebeurtenissen in de Italiaanse geschiedenis en politiek en wijdt hij uit over maatschappelijke ontwikkelingen en tendensen. Terwijl de beroemde professor zichzelf heeft opgesloten, pakken vrouw en kinderen de draad bovengronds gewoon weer op, alsof er niets is gebeurd. Eén keer verlaat Pontecorvo onder leiding van de bevriende advocaat zijn kerker, wanneer hij zich moet verdedigen tegenover de rechter. Hij belandt voor korte tijd in de cel, die voor hem een nog grotere hel wordt dan zijn eigen kerker-sousterrain al is. “Ze komen hem redden. Kijk, ze trekken hem omhoog. Nu staat Leo rechtop. Ze ondersteunen hem, godzijdank, anders zou hij vallen; hij voelt zijn benen slap worden. Zijn hart staat op het punt te ontploffen. Zijn haar is drijfnat van het zweet. (…) Hij ziet dat de horde kwelgeesten getemd is. Hun hoofden gebogen, hun gezichten bezweet en gepijnigd.” 

Geestelijk en lichamelijk gebroken keert hij terug naar zijn kelder, waar er langzamerhand niets meer van zijn identiteit overblijft en zijn herinneringen vervormd raken. Intrigerend zijn ook de strakke tekeningen die in het boek zijn opgenomen. Ze verbeelden cruciale momenten uit het verhaal. Wie heeft ze gemaakt? Was er misschien een getuige van al deze ellende? De verteller laat voorkomen alsof ze op geheimzinnige manier tussen de pagina’s van zijn verhaal zijn terecht gekomen.

De schrijver hanteert in alle delen van zijn roman, in heden en verleden, het procédé van in- en uitzoomen op personages en gebeurtenissen met meesterlijke hand. Beurtelings gaan we van invoeling naar afstand en weer terug. In een meeslepend ritme, dat ook in de vertaling volledig overeind blijft. De in het verhaal aanwezige verteller bestuurt het geheel van verwikkelingen, relaties en uitweidingen met verve en, zoals gezegd, met de nodige ironie.

Woody Allen
Piperno heeft – behalve zijn eerste roman – een studie over Proust geschreven. Zijn stijl en thema zijn ook in verband gebracht met het werk van de joodse schrijver Philip Roth. Tijdens het lezen moest ik soms denken aan de films van Woody Allen, waarin regelmatig een mannelijke (joodse) schlemiel paradeert. Zoals die in Anny Hall (gespeeld door Allen zelf), die tijdens het wachten voor de bioscoopkassa de vierde wand doorbreekt en zich met de nodige (zelf)ironie rechtstreeks tot de camera richt met zijn ideeën over de vrije liefde en de theorieën van Mac Luhan over de media. In Piperno’s roman is het de verteller die (met enige spot en soms in een wat gekunstelde stijl) de zaken met elkaar verbindt.

De roman Vervolging en de schrijver Piperno zijn in Nederland nagenoeg onbesproken gebleven. In tegenstelling tot Italië en Frankrijk. Daar zijn thema’s als de invloed van de media, erotisering van de macht en (vermeende) pedofilie er onmiddellijk uitgehaald. Piperno is een veel gevraagde gast geweest in de Franse media. De zaak DSK en het feit dat hij uitstekend Frans spreekt, zullen daar ongetwijfeld aan bijgedragen hebben. Maar er is nog iets anders. In één van die interviews of praatprogramma’s noemt Piperno zijn hoofdpersoon Pontecorvo een ‘petit garçon à sa maman jamais grandi’, een echt moederskindje dus, die nog altijd buiten speelt, te weinig mannelijke waarden heeft ontwikkeld en het niet voor elkaar krijgt zich te verdedigen, wanneer het tegenzit. En daarmee wordt een ander thema aangeroerd dat momenteel in Frankrijk (en niet alleen daar) speelt: het discours over ‘masculinité’ en ‘virilité’. Mannelijke waarden als strijdlust, verantwoordelijkheid, zelfbeheersing, assertiviteit en respect voor gezag zouden verloren dreigen te gaan. Een discussie die ook in Nederland en Duitsland speelt getuige bijvoorbeeld onderzoeken (en debatten daarover) naar veronderstelde feminisering van het onderwijs en de gevolgen daarvan voor opgroeiende jongens, naar de invloed van dominante vrouwen op de potentie van mannen en naar de behandeling van en omgang met niet-anonieme zaaddonors (zie het boek Na gebruik weggooien van André Geus). Opvallend is dat de discussie over (vermeende) feminisering van het onderwijs en de potentieverlaging bij mannen nogal eens is aangezwengeld door juist vrouwen. Het eerste onderwerp is bijvoorbeeld uitvoerig belicht door Angela Crott in haar promotie-onderzoek Van hoop des vaderlands naar adhd’ers (dec. 2011) en het tweede in onderzoeken van de Duitse psychologe Eva Wlodarek. In NRC weekend van 7 april pleitte David Cassuto ervoor ‘jongens hun ruggegraat terug te geven’. Hij besluit zijn pleidooi aldus: “Het is dus goed om bij de opvoeding en het onderwijs rekening te houden met de verschillen tussen jongens en meisjes, opdat mannelijke deugden in stand blijven.”

Piperno heeft natuurlijk geen onderzoeksrapport geschreven maar wel een heel bijzondere roman waarin hij zaken als de enorme invloed van de media, macht en erotiek, pedofilie en een tekort aan mannelijke waarden op een ingenieuze manier verbeeld heeft.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen