Schrijvers van de bovenste plank

Deze zomer las ik drie romans. Het debuut Bonita Avenue (2010) van Peter Buwalda. Het debuut De onvolmaakten (2010 – vertaling Tjadine Stheeman) van de Engels-Canadese schrijver Tom Rachman. En XY (2010 – vertaling Rob Gerritsen 2011) van de succesvolle Italiaanse schrijver Sandro Veronesi. Ze zijn heel verschillend van tijd, plaats, sfeer, stijl, karakters en plot. Maar ze zijn alle drie briljant. Wat ze gemeen hebben is de vernuftige perspectiefwisseling, en daarmee – elk voor zich - een heel bijzondere structuur. Langzaam maar zeker passen alle puzzelstukjes in elkaar. Spanning is er tot het eind aan toe. En alle drie gaan ze over belangwekkende thema’s.

In november vorig jaar werden in verschillende winkels in Utrecht en andere plaatsen exemplaren van Bonita Avenue verscheurd. Niemand had het zien gebeuren. Vergelijkbaar met verwarde vandalen die
van tijd tot tijd het mes in een schilderdoek steken? Dan gaat het meestal wel om een bekend en zeer gewaardeerd kunststuk. In dat geval zou het debuut van Buwalda ook erg goed moeten zijn. Of was het een publiciteitsstunt van de schrijver zelf, werd hier en daar geopperd. Dat bleek niet het geval te zijn. De dader heeft in een korte brief zijn excuses aangeboden en de onkosten vergoed maar zijn motief niet onthuld. Peter Buwalda (1971) was ontsteld, want hij had er lang aan geschreven. Viereneenhalf jaar, zeven dagen per week op basis van een voorschot van de Bezige Bij van maar liefst 35.000 euro, terwijl hij tot dan niet meer dan twee korte verhalen had gepubliceerd. Resultaat: lovende recensies en nominaties voor o.a. De Libris literatuurprijs 2011 en de Gouden Strop 2011. Maar daar had hij geen moment aan gedacht tijdens het schrijven. Integendeel. Eens in de zoveel dagen haatte hij wat hij opgetikt had. In een filmpje op You Tube zegt hij: “..Dan zak je weg in de zuigende modder, en daar moet je binnen de twee uur uit zijn, want anders stolt de zaak, en dan kom je er nooit meer uit.” Hij is er dus uitstekend uitgekomen met een spannend familiedrama, zoals de oude Griekse tragedie vol van intriges, verdorvenheid en een zwaar verstoorde vader-zoon relatie, een drama dat uitloopt op krankzinnigheid, moord en zelfmoord. Dit alles tegen de achtergrond van de vuurwerkramp in Enschede in 2000, Berkely (Bonita Avenue) in Californië, het Haagse regeringscircuit, het universiteitsdomein, de judowereld, en de porno-industrie. En van al die werelden is de schrijver op de hoogte. Niet dat hij zijn kennis etaleert. Als lezer ontdek je deze arena’s in een met veel verve en in een razend tempo en met drift vertelde plot. De roman is een absolute pageturner, geschreven in een gespierde, trefzekere en zeer beeldende stijl. Met drie interessante hoofdpersonages: Siem Sigerius, de flamboyante wiskundige, oud-judoka en rector magnificus van Tubantia University, zijn bloedmooie, studerende stiefdochter Joni Sigerius en haar vriend Aaron Bever. Buwalda beschrijft de gebeurtenissen afwisselend vanuit deze drie figuren (alleen vanuit Joni in de ik-vorm), waarbij hij de chronologie volledig door elkaar gooit. Dat is voor de lezer soms happen naar adem, zeker als je de roman leest, nu eens op een rotspunt aan zee, dan in of wachtend op een bus, of liggend op een bed in een kleine kale huurkamer. Maar je blijft doorlezen, ondanks het feit dat je de afloop al vrij snel weet. Overigens bleek uit onderzoek van de Universiteit van Californië San Diego (de afgelopen maand gepubliceerd in Psychological Science), dat mensen een verhaal juist meer waarderen als ze tijdens het lezen de afloop al kennen. Ik ga er maar vanuit, dat er in het onderzoek geen gebruik is gemaakt van gefingeerde data. Dan zou ik dus de volgende zomer gewoon weer dezelfde boeken mee kunnen nemen. Maar goed, terug naar Bonita Avenue. Het verhaal bevat twee hoofdlijnen. Aaron en Joni gaan het internet op en verdienen veel geld met iets waarvan niemand iets mag weten. En Siem Sigerius blijkt uit een eerder huwelijk een zeer criminele zoon te hebben. In het midden van het boek verzucht Sigerius: Wat weten we eigenlijk van elkaar? Wat weet een vader van zijn kinderen? Zoals de opslagplaats van S.E Fireworks ontplofte, zo spat het gezin van Siem uiteindelijk als een zeepbel uit elkaar. Meer details vertel ik niet. Alleen nog drie staaltjes van Buwalda’s krachtige stijl. De eerste is vanuit het gezichtspunt van Aaron. “De waarheid was dat ze helemaal niet op elkaar leken. Sigerius was donker, had ogen als afgekoelde koffie, zag er zigeunerachtig uit, duister bijna. Hij had een baardgroei waar evolutiebiologen een vochtige mond van kregen. Joni was juist licht en blond, vlinderig, had een gezicht zo glad en symmetrisch dat Sigerius daar niks mee te maken kon hebben. Toch zag hij een gemeenschappelijke deler, hun daadkracht, vader en dochter bezaten dezelfde dwingende doenerigheid, werden gallisch van twijfelen en treuzelen, snapten niks van bij de pakken neerzitten, vooral niet wanneer een ander – hij bijvoorbeeld – dat deed. Net als Sigerius was Joni slim en hard en ondernemend. Misschien waren dat genen.” (p.19) En daarmee is het thema nature-nurture geïntroduceerd. Het tweede citaat: “Zonder dat ik het wilde baande verontwaardiging zich een weg naar buiten. ‘Waarom neem je die troep?’hoorde ik mezelf blaffen. “Vertel eens, Wilbert, waarom kies jij altijd de weg van de minste weerstand? Waarom zit jij hier nou weer stiekum te snuiven? Waarom doe jij godverdomme de dingen die je doet – Wilbert.’ Zijn gezicht verstarde, zijn rechterwenkbrauw kroop omhoog van getergde verbazing. Ik zag dat hij agressie oppotte. Hij sloot zijn rechteroog en draaide met zijn hoofd alsof hij een stijve nek had. Hij maakte zijn brede bajesnek los, secondenlang. Toen opende hij zijn oog en keek me aan, zwijgend. ‘Leg jij eerst eens even uit’, zei hij toen, ‘waarom jij in die rechtszaal was. Tyfushoer.’” (p.353) Dat was dus Joni. Tenslotte Siem: “Hij bloedt als tartaar. Vaag geklop onder zijn linkervoet, speldenprikken in zijn heup en onderarmen, als hij zijn kin op zijn rechtersleutelbeen legt kan hij de jaap zien die diagonaal over de kogel van zijn schouder loopt – maar hij voelt nauwelijks iets. (…)Zijn brein is een bazaar na een bomaanslag, gedachtes als afgerukte ledematen. Zijn naaktheid is peilloos. Aan de bloedstempels op de grijze tegels ziet hij dat hij een stuk de steeg in is gelopen, en weer terug.”(p. 371) Siem is hier aan zijn teloorgang begonnen. Pas op p. 543 is die ondergang voltooid. Buwalda heeft een overrompelende debuutroman geschreven.

Ook in De onvolmaakten van Tom Rachman bepaalt een vernuftige perspectiefwisseling de structuur van het verhaal. In elk hoofdstuk belicht een ander personage zijn of haar positie binnen of ten opzichte van een in 1953 door een rijke Amerikaanse zakenman opgerichte internationale Engelstalige krant in Rome. De titel van elk hoofdstuk bestaat uit een krantenkop (die in dit hoofdstuk een rol speelt) en de naam en functie van het personage vanuit wie dit deel verteld wordt. Bijvoorbeeld: ‘Uit onderzoek blijkt: Europeanen zijn lui’ Hardy Benjamin, economisch verslaggever. En: ‘Broeikaseffect goed voor ijsjes’ Herman Cohen, chef eindredactie. Of: ‘Generaal VS optimistisch over oorlog’ Kathleen Solson, hoofdredacteur. ‘Het seksleven van moslimextremisten’ Winston Cheung, freelancecorrespondent te Caïro. Zo zijn er elf hoofdstukken met elf verhalen. Na elk hoofdstuk volgt er een cursief van een paar pagina’s waarin oprichting, voortgang en ondergang van de krant verhaald worden: 1953. Cafѐ Greco, Rome; 1954.Corso Vittorio, Rome; 1957 Corso Vittorio, Rome etc. De roman van Rackman eindigt met het laatste cursieve stuk over de ondergang van de krant: 2007.Corso Vittorio,Rome, met de slotzin: “De krant – het dagelijks verslag over de dwaasheid en de genialiteit der mensheid – had nog nooit verzuimd. En nu was hij voorgoed verdwenen.” Aanvankelijk lijkt het alsof de delen op zichzelf staan, maar gaandeweg kom je er als lezer achter, dat de verhalen op een ingenieuze manier in elkaar grijpen. De onvolmaakte karakters komen in het hele boek terug, steeds belicht vanuit een ander perspectief. De krant is op te vatten als een metafoor voor ‘de onvolmaakten’. In de krant staan altijd fouten en hij is altijd onvolledig. Net zo vertoont het leven van de personages scheurtjes. Hoezeer de personages ook proberen een pijnloos en gladgestreken leven te leiden, steeds verschijnt er weer een smetje. Als een krant die nooit foutloos zal zijn. Rachman toont ons dit onvolmaakte op een superieure manier: met veel humor, mededogen en ironie. Zo ontstaan tragi-komische en soms hilarische figuren die je ontroeren met hun doorzichtige pogingen om hun kwetsbare plekken verborgen te houden. Tegelijkertijd is het boek ook een satire op de krantenwereld. Tom Rachman (1974) is goed op de hoogte van het doen en laten van journalisten. Hij werkte als verslaggever in onder meer India, Egypte en Zuid-Korea, was correspondent in Rome en Parijs. Maar terwijl in zijn roman het nieuws voorbijraast, zijn de hoogte- en dieptepunten in het privébestaan van verslaggevers, redacteuren en leidinggevenden (en een lezeres), verbonden aan die internationale krant in Rome, de werkelijke voorpaginaverhalen. Hoewel de lezer merkt, dat de sfeer op de redactie slecht is, er veel wordt geroddeld, er geen collegialiteit bestaat en weinigen hun werk als een passie zien (maar als de krant eenmaal opgeheven wordt, worden ze er alsnog verliefd op), ligt de nadruk dus op het privéleven van de personages. Op hun kwetsbaarheden, ‘fouten’ en afhankelijkheid. Soms heeft ‘De onvolmaakten’ iets van een hele goede soap over het leven op de krant. Het zou ieder kantoor kunnen zijn. Zoals dat in de serie The Office van de BBC. Rachman werkt ook in ieder afzonderlijk deel naar een ontwapenend slot toe. Twee voorbeelden. In ‘Bomaanval Bagdad: 76 doden’ Craig Menzies, nieuwsredacteur - krijgen de hoofdpersoon en alle medewerkers een e-mail waaruit blijkt dat zijn jonge vrouw vreemd is gegaan. Hij gooit haar de deur uit. “Hij wacht twee tergende uren. Is zijn bedoeling duidelijk? De bedoeling die hij al zo lang duidelijk wilde maken. Nee, dit was ook weer niet de bedoeling. Hij pakt zijn mobieltje en ziet dat ze hem een smsje heeft gestuurd: ‘mis je, mag ik langskomen?’ Het is uren geleden verzonden, toen hij nog in het souterrain zat en zij nog hier was. Hij belt haar maar ze neemt niet op. “ De laatste regels van dit deel laat ik hier weg: ze bevatten een sardonische onthulling. Iets van Roald Dahl heeft ook het slot van ‘Markten storten in vanwege de angst voor Chinese terugval’ Abbey Pinnola, hoofd financiële administratie. Wat mij betreft één van de mooiste verhalen. Pinnola, op de redactie bekend onder de bijnaam ‘Accounts payable’, treft tijdens een intercontinentale vlucht van Rome naar de VS Dave Belling naast zich, een collega van de krant die zij zojuist heeft laten ontslaan. Op de krant gedraagt Pinnola zich afstandelijk en professioneel. Nu zit ze er ongedwongen bij, in joggingbroek en met een paardenstaart. Ze voelt zich vreselijk ongemakkelijk naast haar ontslagen medepassagier. Een schrijnende verplichte intimiteit van elf uur lang. Maar Dave blijkt charmant te zijn, hij maakt wat grapjes over zijn ontslag, ze blijken van dezelfde boeken te houden. En langzaamaan buigt Rachman deze in eerste instantie ongemakkelijke situatie heel soepel om naar een seksueel geladen spanning. Op het moment dat je een happy-end verwacht, geeft de schrijver een vileine draai aan dit deel. Ik las dit verhaal toen ik van de zomer in een volle bus zat. Negen uur lang naast een als maar etende, dan weer snurkende man. Ook met een paardenstaartje. De ontknoping van deze situatie was heel bevredigend. We stapten beiden uit de bus om elkaar daarna nooit meer te zien. Van ‘De onvolmaakten’ van Tom Rachman zullen we nog het een en ander gaan horen: Bad Pritt heeft de filmrechten gekocht.

Sandro Veronesi heeft ettelijke romans geschreven waarvan er tot nu toe vijf door Rob Gerritsen in het Nederlands zijn vertaald. Daarvan is Kalme chaos (2006) – over het rouwproces van een weduwnaar – ook verfilmd. XY begint met de spanning van een thriller. Op de eerste pagina’s wekt Veronesi het half verlaten Noord-Italiaanse bergdorpje San Giuda tot leven. Een verstilde wereld waarop de tijd geen vat heeft. Tamelijk afgesloten van de buitenwereld, mobiele telefoons hebben er geen bereik. Een stuk of veertig inwoners die elkaar treffen in de bar, bij de kruidenier of in de kerk. Er is in dit fictieve dorpje één hoogtepunt per jaar, wanneer Beppe Formento toeristen op zijn slede rondrijdt in het gebied en met hen terugkeert in het dorp voor een bezoek aan de bar en een rondleiding in de kerk. Dit keer komt alleen Zorro, één van de twee paarden, in San Giuda aan. Veronesi heeft een gruwelijke en onmogelijke misdaad laten plaats vinden. “En geen van ons die het plein op kwamen zal de ogen vergeten van dat arme paard, de doodsbenauwde uitdrukking en de menselijke zenuwtrekken (ja, menselijk, geloof me) die over zijn verbijsterde snuit liepen. Als ooit een beest op het punt heeft gestaan om te praten, dan was het Zorro die ochtend; maar ik denk dat hij, zelfs al was hem die mogelijkheid gegeven, de woorden niet zou hebben kunnen vinden, omdat de woorden om te zeggen wat hij had moeten zeggen niet bestaan.” Aan het woord is hier don Ermete, de pastoor van het dorp. Hij gaat met twee anderen op onderzoek uit en ontdekt, dat de bevroren boom rood is “alsof Beppe Formento, bij het bevriezen, kersensiroop in het sneeuwkanon had gedaan”. En ze stoten op resten en overblijfselen van dode lichamen. “De bevroren boom was nog steeds rood, vurig en fosforescerend. Sauro bleef zijn wanhopige kreten slaken. Aan zijn voeten lag een grote, eivormige sneeuwbal: het was het hoofd van zijn broer.” Is dit het werk van een seriemoordenaar? Is het een terroristische aanslag, zoals de regering later wil doen geloven? Er is geen verklaring voor. Die wil Veronesi ook niet geven. De gebeurtenis wordt alleen maar raadselachtiger, als blijkt dat de elf gevonden lijken op verschillende manieren om het leven zijn gekomen. De ene oorzaak is nog vreemder dan de andere: zelfmoord, verstikt door koolstofmonoxide, kanker, onthoofding, gestikt in een broodkorst, een overdosis, na organendiefstal, wurging, verkrachting, een uit de baarmoeder gerukte foetus en een vrouw gedood door een beet van een haaiensoort die al twee eeuwen is uitgestorven. En het bloed in de bevroren boom komt van verschillende personen, zegt het DNA. Luguber. Bizar. Het gaat Veronesi niet om de oplossing van deze onmogelijke misdaad maar om de effecten die deze teweegbrengt. Het dorp wordt in beslag genomen door de media. Justitie doet een onderzoek. De dorpelingen veranderen onherroepelijk: ze worden vijandig tegenover elkaar, beschuldigen elkaar, gaan ten onder aan wantrouwen en frustratie en keren de pastoor hun rug toe. Op het moment dat de aanslag (of wat dan ook) moet hebben plaats gevonden, is bij de andere hoofdpersoon Giovanna, een jonge psychiater, een oud litteken op nieuw gaan bloeden. Ze heeft het uitgemaakt met haar geliefde, laat zich toch nog door hem verleiden, omdat hij betrokken is bij het onderzoek en zo op de hoogte is van de onmogelijke details, om vervolgens haar heil te zoek in San Giuda, waar ze zich, op verzoek van de pastoor en samen met hem, het lot aantrekt van de dorpelingen. X en Y, man en vrouw, geloof en wetenschap ontmoeten elkaar in deel II van de roman. Beiden kennen ze inmiddels de (voor anderen verborgen) details van het drama. Beurt om beurt is het woord aan één van de twee. In een afwisselende stijl. De taal van de priester is bedachtzaam, zijn taal is plechtig. De psychiater is jong en springerig, voert vele (vaak komische) telefoongesprekken met haar bemoeizuchtige moeder. In haar stukken zit vaart en humor en ze bevatten de nodige introspectie. Hun inzet en zorg voor de dorpelingen leveren niet veel op. In deel III zoeken ze alleen en bij elkaar naar verklaringen. Tevergeefs. Ze komen op deze manier wel meer te weten over zichzelf. Aan het slot krijgt de gruwelijke gebeurtenis nog een bizar staartje, wanneer één van de slachtoffers, een driejarig meisje, opduikt. Toen was ik al weer thuis van mijn reis. Ik weet niet of het hieraan lag, maar het slot waarin de twee protagonisten elkaar voortdurend bevragen (met door interpunctie aangegeven pauzes), ging me steeds minder boeien, was me te cerebraal, al kon ik met de afdaling van de vroegere skister Giovanna volledig meegaan in haar ritmisch interpunctieloos proza, in haar stream of consciousness. Tot aan de laatste letter van het boek. Ik val zo maar ergens in: `…en wat een absurde ervaring in San Giuda ik heb er zelfs niet over kunnen praten toch heeft het mij veranderd binnenstebuiten gekeerd en bovenal is het echt waar wat in die tv/sketch werd gezegd er bestaan dingen die niet bestaan ieder kind weet dat heel goed en ik wist het ook toen ik een klein meisje was en dat is het hele probleem jezus ik zou beter kunnen afremmen er komt een bult ach welnee…` . Om te eindigen met de laatste woorden op p. 333: `…ik weet niets meneer maar degene die verdwaald is dat bent u.` In feite weten we niet veel dus. Het ongerijmde kun je gewoon niet verklaren. Je kunt er slecht mee in het reine komen. Intussen heeft Veronesi een bijzondere mediakritiek geschreven en een originele psycho/analyse van onze maatschappij, waarin de media soms als maar dezelfde gegevens herhalen, omdat er niks anders is en om het onbegrijpelijke begrijpelijk te kunnen maken. Alleen jammer van dat lange gesprek tussen de priester en de psychiater in deel III, al zit ook daar humor in, wanneer de priester zegt: `´Luister, er is me iets opgevallen. Jij zegt nogal eens hel: de hel dit, de hel dat…´ ´Normaal zeg ik dat nooit.´ ´Hoe moet ik dat opvatten?´ `Normaal zeg ik kut. `Kut nog aan toe`, `wat een kut`. Ik doe mijn best om hel te zeggen voor jou.´ Maar met dat goede voornemen van de jonge vrouwelijke psychiater is de afstand tussen X en Y natuurlijk niet verdwenen.

3 opmerkingen:

  1. Na het lezen van bovenstaande tekst heb ik vooral zin gekregen om het debuut Bonita Avenue van Peter Buwalda te gaan lezen. Bedankt voor de tip!

    Ben benieuwd, vooralsnog staat 'De vrouw van de filosoof' van Philibert Schogt bovenaan het lijstje van beste Nederlandstalige boeken van pakweg de afgelopen 6 jaar.

    De vrouw van de filosoof

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Bij Buwalda ben ik op den helft. Een heel goed boek. Ondanks andere landen vind ik het boek zeer Nederlands. Schitterend die combinatie wiskunde/judo. Die sprekende kop van Buwalda op de achterflap is ook al niet mis. Die overige twee boeken gaan we dus maar eens snel kopen...

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Heb gisteren Bonita Avenue van Buwalda gekocht. Op de achterflap lees ik: "Bonita Avenue is het lekkerste Nederlandse boek sinds Joe Speedboot." [Cobra.be]

    Weet niet of Dick en Michel Joe Speedboot hebben gelezen, maar, zoals ik al eerder schreef (zie link) viel dat boek mij juist wat tegen. 't Zal mij dus benieuwen!

    BeantwoordenVerwijderen