Herlezen (3) – António Lobo Antunes – De Judaskus (1979)

Boeken1

‘Waarom wordt hier verdomme niet over gepraat? Ik begin zo langzamerhand te geloven dat de anderhalf miljoen mannen die in Afrika zijn geweest nooit hebben bestaan en dat ik u een soort smakeloze pulproman aan het vertellen ben.’

De Portugese schrijver António Lobo Antunes sloeg oude wonden open met zijn tweede roman De Judaskus. Vijf jaar na de Anjerrevolutie wilde Portugal vooral vooruitkijken. Het fascistische Salazar-regime was diep weggeëbd in een verleden dat veel langer geleden leek dan het in werkelijkheid was. Velen leefden nog dagelijks met de erfenis van dat verleden. Onder hen de soldaten die hadden gevochten in de even uitzichtsloze als nutteloze oorlog tegen de ‘provincie’ Angola, waar rebellen streden tegen de Portugese bezetters. Na de val van het regime in Lissabon werd de zo lang bevochten onafhankelijkheid in 1975 eindelijk werkelijkheid.

In de jaren ’60 werden dienstplichtge militairen naar Angola gestuurd om te vechten in de oorlog, sleutelhanger met het portret van Salazar in de hand. Aan het thuisfront werd dat gezien als een plicht en als een eer. ‘Gelukkig zal het leger een man van hem maken,’ was een veel herhaalde regel, volgens de schrijver ‘uitgeklepperd door kunstgebitten met onbetwist gezag.’ Portugal leefde in het verleden en teerde op een glorietijd die al lang voorbij was. Om dat glorieuze verleden te laten voortleven deed het regime Salazar er alles aan de kolonieën vast te houden. En zo werden de anderhalf miljoen soldaten die in Angola hebben gediend ‘onvrijwillge bezetters van een vreemd land, agenten van een provinciaal fascisme dat zichzelf ondermijnde en weggevreten werd door het zuur van een deprimerende pastoriedomheid.’
De Judaskus is één lange aanklacht tegen de waanzin van de oorlog. Lobo Antunes beschrijft de ervaringen van de hoofdpersoon – waarin vooral zijn eigen ervaringen als arts in het Portugese leger zijn verwerkt – in een evocatieve stijl waarin de echo van de oorlogsbeschrijvingen van de door Lobo Antunes bewonderde L.F. Céline uit diens debuut Reis naar het einde van de nacht duidelijk doorklinken.

je struikelde over een draad, een granaat ontplofte en beng!, daar lag je aan stukken gereten, de hospik zat midden op het pad en staarde stomverbaasd naar de walgelijke warme, dikke, gele brij in zijn handen, het waren zijn eigen ingewanden die hij in zijn handen hield

Lobo Antunes gaat met opzet vaak slordig om met interpunctie; een punt aan het eind van een zin wordt een komma en op hun beurt worden komma’s vaak weggelaten, dit alles om het verhaal een grotere vaart en daarmee een grotere urgentie te geven.

Plaats van handeling is een bar in Lissabon. De hoofdpersoon vertelt zijn verhaal over de ‘pijnlijke leerschool van de doodsangst’ aan de prostituee Sofia. Vereenzaamd en alleen als hij is móet hij aan iemand zijn verhaal kwijt, want ‘ik heb het zo nodig dat u naar me luistert’

Ik was de oorlog zat, Sofia, de nooit aflatende wreedheid van de oorlog, ik was het zat in mijn bed de protesten van mijn vermoorde kameraden te horen, die me in mijn slaap achtervolgden en me smeekten hen niet telaten wegrotten in hun loden doodskisten, die zo verontrustend en koud waren als de contouren van olijfbomen

Na de oorlog kan hij niet meer aarden in Portugal. Hij vereenzaamt, zoekt zijn heil in de drank en kan alleen nog omgang hebben met vrouwen als Sofia. Er is niemand die naar zijn verhaal luistert, erger: er is niemand die naar zijn verhaal wíl luisteren. In plastische bewoordingen vertelt hij niet alleen over de verschrikkingen die de oorlog in het leven van de Portugese soldaten aanrichtten; hij vertelt ook hoe de oorlog beesten maakte van diezelfde soldaten, die zich schuldig maakten aan verkrachting en andere wreedheden:

‘toen het ontstoken dijbeen van een in Mussama gevangen genomen MPLA-lid moest worden geamputeerd, lieten de soldaten zich daarmee vereeuwigen als een trotse trofee, de oorlog had beesten van ons gemaakt, begrijpt u, wrede, stomme beesten getraind om te doden.’

Hij concludeert cynisch dat de klepperende gebitten gelijk hebben gekregen - de oorlog heeft inderdaad een ‘man’ van hem gemaakt, waarmee tevens een resoluut einde is gekomen aan de onbevangenheid van de jeugd :

Ja, ze hadden het goed voorspeld thuis, ik was een man geworden: een soort trieste, cynische begeerte, een mengeling van geile wanhoop, egoïsme en de haast om me voor mezelf te verbergen, had voorgoed het kwetsbare genot van de kinderlijke vreugde vervangen, de onbevangen, zuivere lach die ik soms als een regen van spot achter me denk te horen als ik ‘s nachts door een lege straat naar huis loop.

Na zijn studie medicijnen diende António Lobo Antunes als arts in het Portugese leger in Angola. De oorlog en de koloniale tijd keren vaak terug in zijn werk - als direct onderwerp of als achterliggend thema. Zo is Angola aanwezig in de romans Het Handboek van de Inquisiteurs, De Glans en Pracht van Portugal en Preek tot de Krokodillen, evenals De Judaskus alle drie op voorbeeldige wijze vertaald door Harrie Lemmens. In deze romans heeft Lobo Antunes zijn evocative stijl een nog barokker karakter gegeven, met herhalende zinnen en fragmenten die de herinnering oproepen aan de herhalende thema’s in een symfonie. Het resultaat is een stijl die je moet liggen; als het je niet raakt ligt het verwijt van pretentie binnen handbereik.

Ik heb me vanaf mijn eerste kennismaking met zijn werk (De Glans en Pracht van Portugal) met veel genoegen overgegeven aan de stijl en de romans van Lobo Antunes en ik kan er geen genoeg van krijgen. Ik beschouw hem dan ook als een van de grootste levende Europese auteurs. Het blijft me een raadsel waarom sommige schrijvers door werkelijk iedere literatuurliefhebber lijken te worden gelezen terwijl ik nooit iemand hoor over schrijvers die op zijn minst net zo goed zijn. Lobo Antunes behoort tot de tweede groep. Aan de waardering ligt het niet; de kritieken zijn altijd juichend en in de internationale pers is het woord ‘Nobelprijskandidaat’ al vaak gevallen.

Het Nobelcomité achtte in 1998 Lobo Antunes’ landgenoot Jose Saramago een betere kandidaat en het is daarom nog maar de vraag of de prijs Lobo Antunes snel ten deel zal vallen. Saramago heeft enkele goede boeken geschreven, maar ik vind dat hij ook enkele overgewaardeerde werken op zijn naam heeft staan. Voor zover ik bekend ben met het werk van Lobo Antunes ben ik nog geen zwakke schakel tegengekomen. Het mag duidelijk zijn dat ik die prijs liever zijn kant op had zien gaan, maar wie weet ziet het Nobelcomité de komende jaren toch in dat het tijd wordt het genie van Lobo Antunes op passende wijze te eren.

Kees Bakhuyzen


De Judaskus is in vertaling van Harrie Lemmens in 2002 gepubliceerd door uitgeverij Cossee.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen