'Je loopt het op één of andere manier op,'


(...) 'Je loopt het op één of andere manier op,' hield Treger zich grimmig voor. 'Dat schijnt gemakkelijk te kunnen gebeuren. Maar je komt er nooit meer van af.' Het zat ingewikkeld in elkaar, of juist heel eenvoudig, maar het zat wel zoals het zat.

Het besef dat hij zich in iets had laten vangen waarin hij opgesloten zat, vervulde hem soms met een woede die des te verbetener werd naarmate hij besefte dat hij met die woede geen kant uit kon. Wat Treger daarbij heel goed kon weten maar waarschijnlijk nooit ruiterlijk zoude toegeven, dat was dat de doem en de onherroepelijkheid van zijn katholiek worden hem sterkten in zijn gevoel van eigenwaarde, want zijn lot was daardoor een echt noodlot, en hijzelf dus tragisch, niets minder dan dat. Anders gezegd: een wreed noodlot had hem rooms-katholiek gemaakt, wat wilde zeggen dat genoemd noodlot zich de moeite had getroost nota van hem te nemen. Hoeveel mensen lagen niet dag in dag uit op hun knieën voor dat noodlot, alsmaar smekend dat het hun leven een tragische wending mocht geven zodat ze tragisch werden, in het nieuws kwamen of in naslagwerken opgenomen werden? Terwijl dat noodlot zich van die smeekbeden geen ene moer aantrok, of hoogstens een paar van die zeurders wegraapte, pats dood, vaak slechte schrijvers en dichters, met sommigen van wie Treger nog hooglopende ruzie had gehad ook.

Was het waar dat die 'grote Kerk' de mensen rust gaf, zoals dat heette? Het mocht wat! Ja, in het begin ging het nog wel, maar hoe langer Treger katholiek was, hoe drankzuchtiger en twistzieker hij was geworden. En de boel beviel hem van lieverlede steeds minder, want de tijden namen een onheilspellende keer, ook in die Kerk. Voor de nieuwbouwwijken van beton, vereenzaming drankzucht en misdaad werden nieuwe katholieke kerken gebouwd, hetzij ronde glazen kooien, hetzij bouwsels in de vorm van een chocoladefabriek, beide soorten zonder iets erin wat op een altaar geleek, laat staan dat er een schrijn, nis of hoekje, hoe bescheiden ook, voor de glorievolle Maagd Maria, de Moeder van God, werd ingeruimd. Wel werd de hal van zulk een nieuw kerkgebouw volgeprikt met lelijke kindertekeningen die meestal een vis voorstelden, misschien omdat het vaderland grotendeels uit water bestond. En wat er gepredikt werd? Meestal ging de preek nergens meer over. Of, als die wel ergens over ging, over onze welvaart, die 'gestolen was van de arme landen', toch een vreemde logica, als je er even bij stilstond. Ook hielden die preken vaak in, dat we ons het lot van de armen moesten aantrekken, want die konden een boel dingen niet kopen die ze graag hebben wilden maar die ze niet konden betalen, zoals dure bonbons, zalm en dergelijke; terwijl er van de gelovigen die zaten te luisteren eigenlijk niemand die dure bonbons of die zalm wèl kon betalen. Alweder was het een eigenaardige logica, volgens welke die gelovigen bij de collecte geacht werden geld te offeren waar die armen dan dure bonbons en zalm voor gingen kopen: goederen die, zoals gezegd, de schenkers van dat door henzelf zuur verdiende geld zichzelve niet eens konden veroorloven! Geld geven aan armen was trouwens wel het laatste wat men moest doen, vond Treger, want als hij, Treger zelf dus, helemaal geen behoefte aan dure bonbons en zalm had, waarom moesten die armen die dan wèl hebben? Vonden die soms in elke dure bonbon en in elke zalm een gouden ring? Een blok aan het been, dat waren ze, die armen. Ze kostten de staat, dat wilde dus zeggen de belastingbetaler, een fortuin, omdat ze al zo veel geld kregen zonder er iets voor uit te voeren. 'Ze leggen een zware tol op de samenleving,' vatte Treger zijn gedachten samen. (...)

Gerard Reve - Bezorgde Ouders
Pag. 1979-181
Uitgeverij Veen

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen