Ik krijg jou nog wel


(...) Treger begaf zich eerst naar een grote kooi voor vogels, één van de eerste kooien die men na zijn binnentreden in de tuin tegenkwam.

In die kooi woonde een raaf, die Treger goed kende. Er waren weinig andere vogels in de naar verhouding grote kooi, misschien omdat de raaf het niet met iedere andere vogel kon vinden, door zijn ernstige karakter.

'Dag Raaf,' zeide Treger. Hij raapte een stukje tak op van de grond en stak het door een tralie. De raaf nam het takje in zijn bek, huppelde er zijdelings een eind mede weg, en stak het daar door een tralie wederom naar buiten, wachtend tot Treger het terug in ontvangst nam. Het was een spel met weinig variatie, maar de raaf had er schik in, dus Treger liet het ritueel zich een aantal keren herhalen, terwijl hij de vogel met welgevallen beschouwde. Hij zag daarbij iets wat waarschijnlijk weinig mensen zagen die niet scherp observeerden: dat de raaf in een zeer klein gebied van zijn hals en van zijn vleugels op zijn gevederte een glinstering had van kleuren, soms oplichtend en dan weder dof wordend, al naar gelang de lichtval, een gloed die nog het meest weg had van die van parelmoer. Niet iedereen zag dat, maar het bewees dat het een koninklijke vogel was. Daarom ook was de raaf één van de slechts twee vogels die door de Kerk officieel als katholieke dieren waren erkend. De raaf omdat hij Cras kon roepen,  teneinde daarmede de zondaars te vermanen. Meer dan dat ene woord 'Cras' kon de vogel niet uitspreken, maar een goed verstaander wist waar hij aan toe was. De gehele zin luidde immers Hodie mihi, cras tibi, Latijns dus voor Ik krijg jou nog wel. De andere als katholiek dier erkende vogel was de papegaai, iets wat men niet zo één twee drie zoude verwachten, maar het was omdat hij Ave kon zeggen, het eerste woord van het misschien wel belangrijkste gebed dat er bestond.


 Je zag ze nooit samen, de raaf en de papegaai, ook niet in een kooi, maar dat kwam, besefte Treger, omdat ze, ondanks hun eendracht in het geloof, levensbeschouwelijk erg van elkander verschilden. De raaf was een 'aandachtige' vogel, die alles met de diepste ernst beschouwde en de mensen dan ook voortdurend de ernst van hun zondige staat voorhield. De papegaai had, bij al zijn vroomheid, ook oog voor de blijde dingen die er waren, kakelde en schaterde er de gehele dag op los dat het een aard had en hield iedereen op een goedmoedige manier voor de gek door soms, geheel onverwachts, dingen te zeggen waardoor de mensen het uitgilden van de pret.

Wilde men het wezenlijke van elk dezer beide voortreffelijke vogels onder woorden brengen, dan zoude men de raaf, met zijn sobere, bijna rouwdragende kostuum, de Vogel van de Dood kunnen noemen, en de papegaai, in zijn bonte vederpracht die soms veel weg had van een carnavalspak, de vogel van het Leven. 'Toch zijn ze één,' dacht Treger: 'één in het geloof, één in het getuigenis; één in de waarheid.'

Uit: Bezorgde Ouders - Gerard Reve
Pag. 246-247
Veen, uitgever

Bestellen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen