Van oude dingen, de mensen die voorbijgaan

Sneeuw

Met de komst van sneeuw en ijs is de tijd van het achteruitlopen weer aangebroken.

Hoe het komt laat ik in het midden, maar er zijn weinig spelletjes die mij zoveel voldoening geven als bijvoorbeeld 'Hemelvaart'. Voor 'Hemelvaart' is nodig een ruime, ongerepte sneeuwvlakte, zoals een brede straat, een tuin of een pleintje. De beste resultaten worden bereikt met vaste, niet te dikke sneeuw, waarin de vorm van de voetstappen duidelijk zichtbaar blijft. De kunst bestaat nu uit het naar het midden van de sneeuwvlakte lopen, daar halthouden en dan achterwaarts teruggaan, de voeten zorgvuldig in de eigen voetstappen plaatsen, letterlijk op zijn schreden terugkeren.

Bevindt zich aan het eind van de maagdelijke sneeuwvlakte een blinde muur, dan leent het decor zich tot 'Passe Muraille': in een rechte lijn tot vlak tegen die muur lopen en op de bovenbeschreven wijze weer achteruitlopend terugkomen.

Heel bevredigend is ook 'Holbewoner', dat gebruik maakt van een midden op de besneeuwde straat

gesitueerd mangatdeksel of rioolrooster. Nu is het de heenweg die achteruit wordt gelopen, en de terugweg voorwaarts in het eigen voetspoor. Een gerafineerd detail is het meedragen van een hond, op die achterwaartse heenreis; het dier wordt dan op het keerpunt, dus bij het mangat of de rioolopening, in de sneeuw gezet. Ook 'Passe Muraille' kan natuurlijk met een hond worden uitgevoerd, maar de gang van zaken is dan omgekeerd: de hond loopt mee tot aan de muur, en wordt bij het achteruit teruglopen gedragen.

Iets moeilijker is 'Gespleten Persoonlijkheid'. Hiervoor is het noodzakelijk om te beschikken over een goede onbetreden sneeuwvlakte, met in het midden een niet te dikke boom, een lantaarnpaal of iets dergelijks. De eerste fase van de operatie bestaat uit het recht op de telefoonpaal aflopen, en die stevig beetgrijpen. Vanuit die positie maakt men met de linkervoet een afdruk links van de paal; vervolgens plaatst men de rechtervoet rechts ervan, en werkt zich staande op die voet langs de paal heen. Vanuit de dan bereikte positie kan eventueel nog een tweede afdruk gemaakt worden met de linkervoet, waarna men zijn weg vervolgt. Oefening baart kunst, bij de tweede en derde telefoonpaal gaat het al beter; men leert om bij het naderen van de paal al een beetje wijdbeens te gaan lopen, en dat na het passeren van de hindernis nog even voort te zetten. Alle resultaten kunnen gefotografeerd worden natuurlijk, maar persoonijk heb ik daar geen behoefte aan. Het geeft ook wel een zekere tevredenheid om de reacties te zien van iemand die zo'n sneeuwspoor ontdekt, maar zelfs dat is niet essentieel: de gedachte dat het bestaat, dat het er is, de objectieve aanwezigheid ervan, is mij al voldoende. Zelfs op een onbewoond eiland zou ik de uitvoering van deze en dergelijke ondernemingen nog de moeite waard vinden, zoals ik ook - een veel voorkomende interviewvraag - op een onbewoond eiland vermoedelijk zou blijven schrijven.

Zo vind ik het de moeite waard om bij het daarstraks beschreven 'Passe Muraille' al het benodigde te doen om de sporen aan de andere kant van de blinde muur verder te laten gaan (grote omweg maken, achterwaarts naar de muur toe lopen en weer er vandaan), ook al is er geen sterveling die het resultaat kan zien. Een ander voorbeeld is het op volgorde leggen van een pak kaarten; op jeugdige leeftijd schepte ik er genoegen in om het spel kaarten, waarmee door degenen die zich te zamen met mij in een Japanse vakantiekolonie bevonden eindeloos bridge werd gespeeld, zorgvuldig op een volgorde te leggen die de spelers, hadden zij ooit het schudden nagelaten, vermoedelijk een hartverlamming zou  hebben bezorgd. De verleiding hen te overreden de kaarten eens niet te schudden deed zich wel aan mij voor, maar niet op een voldoende krachtige wijze om er ook werk van te maken. Wat voor mij telde was dat het daar zat, het Groot Slem, in het doosje, als een onontplofte bom.

De gedachte dat de spelers al schuddend vernietigden wat zij graag zouden willen vinden gaf bovendien een soort boosaardige compensatie.

Het grootste genoegen kan ook besloten zijn in de voorstelling die men zich van iemands reactie maakt, zonder die reactie ooit te kennen. Dat is bijvoorbeeld de situatie in het verhaal van de verbaasde eigenaar van de fietswielen, dat ik nu zal vertellen. Twee mensen, laten wij hen Leopold en Alexandra noemen, woonden op een zolderflat in een voorstad van Parijs. Leopold en Alexandra hadden de eigenaardigheid - er waren zelfs wel mensen die aan hun verstand twijfelden - om oude voorwerpen te verzamelen en nooit iets weg te gooien. In hun huis was het nog voller dan in de graftombe van Toetankamon, hele automotoren en achterbruggen werden door Leopold de trap op gesleept.

Op een avond, het liep net als nu tegen het eind van het jaar, alleen twaalf jaar eerder, kwamen Alexandra en Leopold thuis van inkopen doen, en ontdekten een paar huizen van hun eigen immeuble tegen een laag muurtje een tiental fietswielen. Leopold bekeek ze en raakte in grote opwinding. Hij stelde vast dat zij zeker zeventig jaar oud moesten zijn. 'Sommige hebben zelfs nog houten velgen!' riep hij uit. De boodschappen werden neergezet en Leopold begon de fietswielen naar huis en naar boven te dragen. Na veel moeite werd een opslagplaats voor de wielen gevonden en daar werden ze opgeborgen.

Het kan niet anders of de eigenaar van die fietswielen zal opgelucht zijn geweest toen hij de volgende dag weer langs het muurtje kwam om te zien dat zijn wielen al verdwenen waren. Het is namelijk in Frankrijk ontzettend moeilijk om van voorwerpen af te komen die te groot zijn voor de vuilnisbak, en het op straat zetten van zulke voorwerpen is strafbaar. Het moet hem dus verbaasd hebben, maar het is niet deze verbazing waar het om begonnen is.

Tien jaar gingen voorbij. Het huis van Leopold en Alexandra werd zo vol, dat zij besloten om eens te inventariseren en het hoognodige weg te gooien. Zo viel voor het eerst na al deze jaren op die fietswielen weer het daglicht. 'Weg ermee,' zei Alexandra. 'Maar ze zijn bijna een eeuw oud,' wierp Leopold tegen, 'een oude-fietsenverzamelaar die erom verlegen zit zou er ik weetnietwat voor geven.' 'Maar die ene verzamelaar vinden we toch nooit,' zei Alexandra. Zij had gelijk en er werd besloten om de wielen weg te gooien. Maar hoe?

'We zetten ze weer naar we ze gevonden hebben,' besliste Leopold, en zo gebeurde. Op een ochtend stonden ze er weer, precies zoals ze er tien jaar eerder hebben gestaan. Ik weet niet of de ochtendwandeling van de oorspronkelijke eigenaar hem weer langs het muurtje heeft gevoerd, maar dat is nu wat ik bedoelde: de gedachte daaraan is al voldoende.

Rudy Kousbroek

Uit: Morgen spelen we verder - Rudy Kousbroek
Een keuze uit de Anathema's
Meulenhoff Amsterdam

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen