Toen Amsterdam Zuid nog een nieuwbouwwijk was

“Daar zijn haar borsten, meisjesachtig klein, en het komijnzaad van haar oksels. Is dat iets Brussels? denkt hij. Hij heeft nog nooit een vrouw met geschoren oksels gezien.” Als je Het grote zwijgen van Erik Menkveld leest, kun je je uren laten onderdompelen in de wereld van de jaren tien van de vorige eeuw. De noviteit van de geschoren vrouwenoksel, maar ook de kruiers op het station, het gesuis van de gaslampen, het licht van de pianokaarsen, het ratelen van rijtuigen over keien, pennende klerken., heren met lorgnetten en sigaren, gebontkraagde dames, de geschrijnwerkte pendule, de lucht van petroleumstellen. De tijd van Gorter en Troelstra. Het grote zwijgen (13 september jl. bekroond met de Academica Literatuur Prijs – in 2011 was deze prijs voor Bonita Avenue van Peter Buwalda) is een historische roman, het verhaal over de vriendschap tussen de Nederlandse componist Alfons Diepenbrock en de vijfentwintig jaar jongere Mathijs Vermeulen, smidzoon uit Helmond, muziekcriticus en componist in wording, tegen de achtergrond van de Eerste Wereldoorlog, op het breukvlak van een oude en nieuwe tijd, ook op het gebied van de muziek. Een roman over de liefde, haar verrukkingen en valkuilen. Over het tragische kunstenaarschap, over kunstenaars die iets bovenaards, iets buitenwerkelijks tot uitdrukking proberen te brengen maar moeten constateren, dat ze daarin niet of maar ten dele slagen.

De ultieme aansporing om dit romandebuut van de dichter en poëziecriticus Erik Menkveld (1959) te gaan lezen was voor mij een ingezonden brief van Cees Nooteboom in NRC Handelsblad, waarin hij
zich ondubbelzinnig positief uitlaat over deze roman: “Het boek geeft een prachtig, bijna nostalgisch beeld van Amsterdam 100 jaar geleden, toen de polder nog praktisch aan het Concertgebouw grensde. De roman geeft inzicht in de verhouding Diepenbrock-Mahler, in het latere conflict Diepenbrock- Vermeulen, laat ook veel zien van het karakter van Willem Mengelberg en de richtingenstrijd in de muziek van die tijd.”

Alfons Diepenbrock en Matthijs Vermeulen
Het verhaal begint met het bezoek van Diepenbrock aan zijn jonge geliefde en muze Jo in Ukkel bij Brussel (1910). Hij kent haar als leerlinge Latijn - Diepenbrock was docent klassieke talen en self made componist. Zij speelt in ‘de groene kamer’ het voorspel tot de zomernachtscène uit zijn Marsyas, dat binnenkort in première zal gaan in het Concertgebouw. Daarna bedrijven ze voor het eerst de liefde. Het geluk in die groene kamer houdt geen stand in Amsterdam en omstreken, waar Diepenbrock leeft met zijn gezin, afwisselend in zijn nieuwbouwwoning bij het Concertgebouw en zijn buitenhuis in Laren. In de epiloog (1921) ontvangt Mathijs Vermeulen het bericht, dat zijn oude vriend gestorven is. “Die wonderlijke, stuurse Diepenbrock, met zijn luimen, zijn uitbarstingen, zijn vonkende brillenglazen en nerveuze handen bestaat niet meer. Een schim geworden in mijn leven, een pijnlijke blauwe plek, en nu ineens onopgemerkt verdwenen, opgelost in een kaal, drieregelig bericht.” Vermeulen heeft dan een aantal jaren geleden de verhouding met Elsa, Diepenbrocks vrouw, verbroken op het moment dat zij wil scheiden. In 1918 is hij getrouwd en als hij het bericht van Diepenbrock’s overlijden ontvangt, heeft hij al zijn te dure woning aan de Middenweg (hij componeert alleen nog maar – De Tweede Symfonie) opgegeven en woont hij met vrouw, dochtertje en zoontje ergens buiten in de bossen bij Hollandse Rading. Een oorlog later zal hij overigens trouwen met de jongste dochter van Elsa en Alfons Diepenbrock. Maar dat is buiten de werkelijkheid van deze roman.

De schrijver zei in een interview over Het grote zwijgen: “Alles is waar en toch fictie.” Achter in zijn boek geeft hij een lijst met gebruikte literatuur voor hen die willen achterhalen, in hoeverre de romanwerkelijkheid afwijkt van de historische. Menkveld houdt zich aan de historische feiten, vult de historische arena in met controleerbare gegevens (hij geeft ook aan welke enkele bijfiguren hij heeft verzonnen) en beschrijft gedachten en gevoelens, schrijft dialogen op basis van die historische context vanuit zijn fantasie. Dat doet hij weloverwogen, in een mooie poëtische stijl, met een rijk gevoel voor taal en een goed oor voor ritme. Het is geen overrompelende stijl, geen vernieuwend proza. Het is een bedachtzaam geformuleerde en gecomponeerde roman (we gaan van 1910/1911/1912 (deel I) naar 1914 (deel II – het uitbreken van de oorlog als scharnierpunt) en 1916/1917 (deel III) naar 1921 (de epiloog) – 386 pagina’s), die soms verstilt in de ontroering van een enkel ogenblik en dan weer volloopt in de extase van geluk en passie beleefd aan muziek en de ander en die beklemt in onmacht en lethargie, vooral als gevolg van de verschrikkingen van de oorlog.

Tussen begin en eind zijn we getuige van de liefde tussen Diepenbrock en Jo, haar weigering om hun verhouding te continueren als hij vast blijft houden aan vrouw en gezin, het wel en wee van Diepenbrock in de (Nederlandse) muziekwereld, zijn afhankelijkheid daarin van de flamboyante dirigent Willem Mengelberg, zijn vriendschap met Mahler, wiens begrafenis in 1911 hij bezoekt, de ontwikkeling van de vriendschap tussen Diepenbrock en Vermeulen die de artikelen van de eerste in De Gids heeft gelezen en erover schrijft evenals over diens muziek, de liefde tussen Diepenbrock’s vrouw Elsa en Vermeulen, de ontwikkeling van de laatste als muziekrecensent en musicus, de verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog, hoe deze Diepenbrock verlamt en Vermeulen tot oorlogscorrespondent maakt. Hoe Diepenbrock en Vermeulen uit elkaar groeien, ook in muzikaal opzicht, en daarmee een meer algemeen keerpunt representeren, waarop verheven ideeën over kunst op de schop gaan en plaats maken voor modernisme, voor een materialistisch idee over kunst waarin het gaat om het gebruik van het materiaal, in de muziek om het werken met toonreeksen. Diepenbrock houdt min of meer vast aan het verheven ideaal van Mahler, Vermeulen sluit meer aan bij modernisten als Strawinsky en Schönberg.

Het werk van Diepenbrock krijgt niet de bekendheid die het zou verdienen. Anders dan zijn vriend Mahler beschikt hij niet over het dirigeer- en organisatietalent om zijn werk eigenhandig in het buitenland te promoten. Critici beschouwen hem als wat wereldvreemd. Alleen de jonge Vermeulen heeft oor voor de ‘puurste polyfonie’ en ‘het goddelijke’ in de muziek van zijn leermeester, inspirator,begunstiger en vriend. Maar Vermeulens eigen scheppend werk blijft (ook) verstoken van erkenning, ook van de zijde van Diepenbrock. Hun kunst- en cultuuridealen worden verstoord door de gruwelen van de oorlog. En in de liefde raken meester en leerling verstrikt in de liefde voor dezelfde vrouw. De dagelijkse werkelijkheid vormt het contrapunt van de bevlogen ideeën over de muziek en de liefde.

De titel verwijst naar het gedicht Im grossen Schweigen van Nietzche, dat Diepenbrock als basis voor een orkestlied wil gebruiken en over de strekking waarvan meester en leerling in één van hun vooroorlogse gesprekken van mening blijken te verschillen. Het grote zwijgen slaat ook op de laffe houding van Nederland ten aanzien van het Duitse Keizerrijk, door Diepenbrock met lede ogen aangezien, en door Vermeulen al of niet expliciet bekritiseerd in zijn oorlogsreportages in België. Een derde betekenis openbaart zich als Elsa uit haar beklemmende huwelijk stapt en haar hart volgt.

Bij Menkveld is geen opvallende verteller aanwezig, noch een felgekleurde visie op het verleden, zoals in de historische romans van bijvoorbeeld Vestdijk of Thomas Roosenboom. Zijn historische roman heeft vooral een documentair karakter. Zij wil de indruk wekken van betrouwbaarheid en levensechtheid. Zijn belangrijkste dramatische toevoeging aan de beschreven historische levens is het belichten van de existentiële beperkingen van het liefdesverlangen en het artistieke louteringsproces. 

Erik Menkveld
Menkveld laat zich in zijn roman over kunst niet uit over de actualiteit van de door hem beschreven artistieke opvattingen en hun belang voor de maatschappij of ‘de gemeenschap’ zoals het toen heette. “Wat is een kunstenaar nog”, hoorde ik onlangs een beeldhouwer zeggen op een straatfeestje ter herinnering aan het feit dat een maand geleden een boot in de buurt ontploft was. “Ik heb er plezier in. Dat is het. Verder ben ik suppoost in het Concertgebouw.” “Dan zou je om die twee redenen Het grote zwijgen van Menkveld moeten lezen”, antwoordde ik. “Wie?” “Menkveld.” Hij heeft me nog een paar keer naar de naam gevraagd, want hij had al een paar glazen op. Menkveld dus. Theatermaker Erik Vos (83), nog altijd gepassioneerd, zei in Trouw van 23 augustus: “Wat een arrogantie, wat een suffe gehoorzaamheid aan die PVV in de platte bewering dat kunstenaars maar moeten leren dat ze gewone mensen zijn. Ik dacht bovendien dat het publiek kwam kijken naar ongewone mensen.”
Erik Menkveld houdt het in zijn kunstroman rustig en beschaafd. Hij laat de worsteling van twee kunstenaars zien, en daarmee snijdt hij wezenlijke vragen aan over het artistieke proces, over de taak van de kunstenaar, van de muziek in de tijd van Diepenbrock, Vermeulen en Mengelberg. En daarmee impliciet toch ook over kunst in onze tijd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen