De voorbije mens

Als kind ging ik om de twee jaar op vakantie naar Engeland. Vaak naar het Bodmin Moor in Cornwall. Daar waren we bevriend geraakt met een boerenfamilie die schuin tegenover de Dozmary Pool woonde. Boven aan een heuvel op het land was een eeuwenoude stenen cirkel en binnen de heuvel kilometerslange, verlaten, tinmijnen.
Het is al een spookachtige plek maar soms komt daar -als uit het niets- dikke mist opzetten. Vroeger verdwaalden mensen zo, om ergens in het moeras reddeloos te verdrinken.

Regelmatig bezochten we eeuwenoude kerkhoven rond vervallen kerken. In Engeland waren
dodenakkers vaak verwilderd en overwoekerd met onkruid. De stenen stonden schots en scheef, alles

als een passend decor voor een horrorfilm. Op een paar van die begraafplaatsen waren zerken met een niet bestaande datum. Zo was er bijvoorbeeld ene James die gestorven was op 29 februari 1831. Verder, op een ander duister kerkhof, wisten we een Catherine die op 31 september 1798 was overleden. We maakten ons zelf wijs dat die twee feitelijk nooit dood waren gegaan.

De Nieuwe Ooster, Crooswijk en Oud Eik en Duinen, allemaal schitterende begraafplaatsen in Nederland. De mooiste zijn echter de kleine, onbekende, dicht bij zee.
Niets is meer verfrissend dan een wandeling op een stil kerkhof met de aanlandige zeewind in je gezicht.
Dit jaar had ik reeds twee begrafenissen. De eerste was van een oudtante die ver in de negentig is geworden. Tot het laatst woonde ze zelfstandig op haar boerderij in de polder. De teraardebestelling werd voorafgegaan door een ouderwetse dienst van de gereformeerde bonder de Jong. De preek werd gelardeerd door sober orgelspel en de organist had zijn schoenen naast het orgel staan. Een orgelspeler op (geitenwollen) sokken. De kerk was zo verveloos en kaal, de armoe straalde ervan af.
De kanselrede eindigde als volgt:
En gelooft u dat het verhaal van Jezus zomaar een fabel is?’ ‘Bent u zo’n dwaas?’
Na afloop was er voor de, veelal dwazen, een eenvoudige broodmaaltijd.

Op de oude begraafplaats te M. aan de IJ. (vlakbij Gouda) heb ik nog even stilgestaan bij de graven van mijn voorouders. Mijn overgrootvader (die ik nog gekend heb) metselde in de Hongerwinter van ’44 het graf van zijn dochter. Dood door TBC, het graf, in strak verband, is na ruim een halve eeuw nog puntgaaf.

De tweede was van een Antilliaanse dame en vond plaats op de Nieuwe Ooster. Tijdens de korte dienst, waarbij de helft te laat kwam, was een toespraak gepland. De dame die deze moest gaan houden was echter helemaal niet op komen dagen. Een dapper Surinaams meisje redde de boel door naar voren te komen en het ‘onze vader’ op te zeggen. Dat ze daarbij tot tweemaal toe de tekst kwijt was is haar vergeven. De teraardelating was in het uiterste hoekje van de begraafplaats. Zodoende moesten al die vrouwen uit de Bijlmer met hun naaldhakken een koleire eind door het rulle grind. Dikke billen, enkele pruiken, klatergoud en uitgegroeide haren, als een macabere processie uit een Latijnse klucht.

Een paar keer per jaar laten we door de lokale bloemist een aantal kleine boeketjes samenstellen. We bezoeken dan de graven van overleden vrienden en familieleden. Veelal veel te jonge vrouwen die zijn overleden aan de gevreesde ziekte. Dat woekert echt voort als een plaag hier in de Krimpenerwaard.
Wat heeft het voor zin allemaal en wat heeft het voor zin gehad. Misschien als je de bezochte plekken, op een landkaart, middels lijnen zou verbinden, ontstaat er een alles verklarend teken.

Neoplasma Malignum ik durf het eigenlijke woord nauwelijks op te schrijven. Pas nog bij de kapper waar ik hoorde dat L., slechts 45 jaar, een afschuwelijke diagnose had gekregen. Al binnen drie dagen was zij dood. Tussen diagnose en overlijden hebben exact drie weken gezeten.
Als je me knipte lulden we ‘Brabants’ gezellig over de spaarzame gemeenschappelijke kennissen die we hadden. De korte vakanties in Samos, waar je uit de kamer zo de zee in kon lopen.
Zo’n geanimeerd lief klein vrouwtje dat tijdens het knippen haar moederlijke warmte tegen je aandrukte. Wat konden zij doen? Niets. Wat kan ik dan nog doen?
Niet veel meer dan, bij iedere tedere vrouwenhand, die in de toekomst liefdevol door mijn haar strijkt, aan haar te denken.

11 opmerkingen:

  1. Triest kan soms heel mooi zijn, mits de woorden in de juiste volgorde worden opgeschreven ! Bij voorkeur van links naar rechts en niet te vaak over hetzelfde onderwerp...

    Mijnheer Vinque, ik dank U

    George

    BeantwoordenVerwijderen
  2. Da's mooi geschreven, heer Vinque.

    BeantwoordenVerwijderen
  3. Ai, de Bodmin Moors, als recalcitrante leerling die weigerde grammatica te leren was ik een sukkel op de middelbare school. Tot een lerares Engels " Jamaica Inn " van Daphne Dumaurier als voorleesboek introduceerde. De klas was bij bladzijde 12, en ik had het boek verslonden. Vingers in de oren, en totaal gegrepen door de omineuze ontwikkelingen.
    Prachtig portret Vinque van die herinneringen.

    Veel liefdevolle strelingen door je haar, geniet van je !

    BeantwoordenVerwijderen
  4. Heel mooi. "All things must pass."

    BeantwoordenVerwijderen
  5. @Marie-Josee, goed gezien!

    ‘Onwillekeurig trok ze een der laden, waaruit ze een stuk papier zag steken, open en vond daar nog een teekening. Het was een schets van een kerkinterieur, ditmaal met menschen in den banken en den predikant op den kansel. Op het eerste gezicht een heel gewoon onderwerp voor een schilder-predikant, meende ze; bij nadere beschouwing ontdekte ze echter, dat het geen gewone tekening was, maar een griezelige caricatuur. De menschen in de kerk droegen Zondagsche kleeren, doch hij had hun schapenkoppen in plaats van menschengezichten gegeven. De dieren gaapten den prediker wezenloos en dom aan en hielden hun voorste hoeven als in gebed gevouwen. En hoewel de schaapskoppen met groote nauwkeurigheid geteekend waren, hadden ze alle eenzelfde, half idiote uitdrukking, onverschillig en dom. De predikant had echter een wolfskop in een krans van witte haren en die wolf keek spottend lachend neer op de kudde schapen aan zijn voeten.’


    ‘Jamaica Inn’ , Daphne du Maurier, 1936.

    BeantwoordenVerwijderen
  6. Ik heb Jamaica Inn teruggevonden in mijn boekenkast. Schrik niet, op de binnenpagina staat het jaartal 1963. Alle verhuizingen heeft dat mottige boekje overleefd, omdat het het begin was van mijn passie voor de Engelse taal. Herlas vandaag het eerste hoofdstuk. Inclusief aantekeningen met potlood van woorden die ik toen nog niet kende. De rest bewaar ik voor onderweg volgende week.

    BeantwoordenVerwijderen
  7. Copyright Hoeiboei.
    Maar de foto van de zuil van Couperus is van mij. zou u deze foto van uw site willen verwijderen,
    want ook ik heb copyrechten bovendien voldoet u niet aan art.25 van de auteurswet.
    Een factuur ontvangen behoort ook tot de mogelijkheden

    BeantwoordenVerwijderen
  8. Copyright Hoeiboei.
    De foto van de Couperuszuil op de begraafplaats
    is van mij dus zit er er ook een Copyright op. .Bovendien voldoet u niet aan art.25 van de auteurswet
    ik eis dat u de foto verwijdert
    of als u liever een factuur ontvangt kan dat geregeld worden
    Roel Wijnants Fotografie

    BeantwoordenVerwijderen