'In Vesc heeft het vannacht gevroren', deelt een grote grijze vrouw in een versleten grijze mantel mede.
'Nee toch?' zegt de slager, terwijl hij een bestelling afsnijdt. 'Dat is vroeg! Daar hoor ik van op.'
'Het verbaast mij niets', zegt de andere, kleinere vrouw met bril, terwijl ze de kraagpanden van haar gehaakte wollen vestje rond haar vogelhals bijeen trekt.
'Ja zeker', zegt de grijze vrouw. 'Ze hebben daar van die grote bakken staan, weet u wel...?'
'Bakken...?' vraagt de slager.
'Om uit te drinken, voor het vee', verduidelijkt de grote vrouw. 'Die staan buiten. Reken maar, dat daar heel wat water in kan, in die bakken. Ze hebben er gerust een stuk of wat staan.'
'Waar is dat?' vraagt de kleine vrouw met bril wantrouwend.
'In Vesc', herhaalt de grote vrouw met stelligheid. 'Ik moest er vanmorgen vroeg toevallig zijn, bij mijn neef. Ja, ik kom er eigenlijk niet vaak. Eigenlijk kom ik er bijna nooit.'
'Dat heb ik ook', bekent plotseling een derde vrouw met pikzwart haar en zeer lelijke, fel gekleurde wandelkleding. 'Ik heb wel eens dat ik zowat iedere dag ergens kom, en dan opeens een hele tijd achter elkaar helemaal niet.'
'Het verbaast mij niets', zegt de vrouw met de bril. 'Je voelt het gewoon, dat het kouder wordt. Zo is het