De 50 beste gedichten (33) Norman MacCaig - Aunt Julia

Aunt Julia spoke Gaelic
very loud and very fast.

I could not answer her—

I could not understand her.


She wore men’s boots

when she wore any.

—I can see her strong foot,
stained with peat,
paddling with the treadle of the spinningwheel

while her right hand drew yarn

marvelously out of the air.

Hers was the only house

where I’ve lain at night
in the absolute darkness
of a box bed, listening to

crickets being friendly.


She was buckets

and water flouncing into them.

She was winds pouring wetly

round house-ends.

She was brown eggs, black skirts

and a keeper of threepennybits
in a teapot.


Aunt Julia spoke Gaelic

very loud and very fast.

By the time I had learned

a little, she lay

silenced in the absolute black
of a sandy grave

at Luskentyre.
But I hear her still, welcoming me

with a seagull’s voice

across a hundred yards
of peatscrapes and lazybeds
and getting angry, getting angry

with so many questions unanswered.

“All I write about is what's happened to me and to people I know, and the better I know them, the more likely they are to be written about.”

Norman MacCaig (1910 – 1996) geldt als een van de beste dichters die Schotland in de 20e eeuw heeft voortgebracht, een oordeel waar ik me absoluut in kan vinden. Als ik de gedichten van MacCaig lees treft mij elke keer weer hun helderheid, hun subtiele humor en de louterende rust die uitgaat van de beelden die hij zo overtuigend op de lezer weet over te brengen.

MacCaig dichtte over dat wat hij wist en wat hem raakte. Daarbij stond het landschap en de bevolking van met name het Schotse platteland centraal. MacCaig werd geboren in Edinburgh, de stad waar hij ook het grootste deel van zijn leven zou wonen. Maar de vakanties bracht hij het liefst door in zijn geliefde Schotse hooglanden en in Aunt Julia overheersen de warme herinneringen aan zijn logeerpartijen bij zijn favoriete tante die met haar simpele levensstijl symbool staat voor de ‘gewone’ Schotse man en vrouw van het platteland waar MacCaig zo’n hoge achting voor had.

Die liefde voor het Schotse land en haar bewoners keert ook terug in zijn referenties aan directe fysieke gewaarwordingen. De tweede strofe uit Summer Farm is een illustratief voorbeeld:

A hen stares at nothing with one eye,
Then picks it up. Out of an empty sky
A swallow falls and, flickering through
The barn, dives up again into the dizzy blue.


MacCaig behaalde in 1932 zijn ‘Honours degree’ in de klassieke talen, maar voor hem verbleekt die kennis vergeleken met de met zoveel bewondering en fascinatie gadegeslagen natuur. ‘I don’t learn much, I’m a man/ of no improvements. My nose still snuffs the air/ in an amateurish way’, zo zegt hij in het zelfportret Ineducable Me, waar dezelfde fascinatie spreekt uit de laatste strofe: ‘How I admire the eider duck that dives/ with a neat loop and no splash and the gannet that suddenly/ harpoons the sea.’ (gannet: jan-van-gent [soort zeevogel])

De poëzie van MacCaig is een poging de tijd stil te laten staan of zelfs terug te gaan in de tijd. ‘I sit with my back to the future, watching/ time pouring away into the past.’ Zo zegt hij in Crossing the border. Die terugkeer in de tijd geldt zeker voor dit warme portret van Aunt Julia, die ook kort terugkeert in het wat langere zelfportret Return to Scalpay:

Aunt Julia’s house has vanished. The Red Well
Has been bulldozed away. But sharp and hard
The church still stands, barring the road to Hell.


Het traditionele aan Aunt Julia wordt versterkt door haar taal; zij sprak alleen Gealic, een taal die de jonge Norman niet sprak en niet verstond. Communiceren werd erdoor bemoeilijkt, maar Aunt Julia spreekt voor ons door haar doen en laten, en de metaforen in de vierde strofe geven de lezer een duidelijk beeld van een vrouw van het land die wordt gekarakteriseerd door het harde dagelijkse fysieke bestaan waarin de elementen een grote rol spelen en dat wordt beheerst door armoede – zie het sparen van de ‘threepennybits’ in de vierde strofe. Het feit dat de krekels die de jongen hoort vanuit zijn bedstee als ‘vriendelijk’ worden beschreven is veelzeggend; het verstrekt de warme gevoelens die uit dit gedicht spreken. Het fysieke element wordt versterkt door Schotse dialectwoorden als peatscrapes en lazybeds aan het einde.

In de laatste jaren van zijn leven werd de poëzie van Norman MacCaig volledig overheerst door het bittere gemis van zijn vrouw, die zes jaar eerder dan hijzelf overleed in 1990. Het leverde gedichten op die in al hun droefheid van een ongekende zeggenskracht getuigen, zoals het schrijnende Memorial, dat opent met de regel ‘Everywhere she dies. Everywhere I go she dies’ en dat afsluit met de strofe

Ever since she died
she can’t stop dying. She makes me
her elegy. I am a walking masterpiece,

a true fiction
of the ugliness of death.

I am her sad music.


Kees Bakhuyzen

1 opmerking:

  1. Documentaire gezien op BBC4.De beelden bevestigen de woorden "
    de helderheid, de subtiele humor en de louterende rust "
    Indrukwekkend

    BeantwoordenVerwijderen