Islamofobie en Mohammedanisme: twee moeizame begrippen.

Islamofobie

Tekst uitgesproken bij de presentatie van het boek Islamofobie? Een nuchter antwoord van Frans Groenendijk ISBN 978 90 814 74016, te bestellen via http://www.islamofobie.nl, in Nieuwspoort, Den Haag 24 februari 2010.

De presentatie van dit boek zou eerder plaatsvinden in het Haagse Congrescentrum maar werd daar afgelast omdat men vreesde voor een aanslag of andere narigheden. Op advies en door bemiddeling van GroenLinks kamerlid Tofik Dibi, aan wie het boek officieel aangeboden zou worden, werd de presentatie verplaatst naar Nieuwspoort. Het boek werd daar ook aangeboden aan de zeer seculiere Fati Benkaddour, schrijfster van het boek Hoe overleef ik Nederland, 99 ideeën voor Marokkaanse jongeren ISBN 978 90 446 13957 (februari 2010).

Ten eerste wil ik de heer Groenendijk hartelijk danken voor de mogelijkheid hier enkele woorden te spreken. Hij heeft dit boek zelf uitgegeven. De meeste boeken koop ik tegenwoordig via internet en dit boek was daarop geen uitzondering. Wel jammer dat het niet gewoon bij de boekhandel ligt, want het gaat over een belangrijk politiek onderwerp. Over islamofobie zijn nog weinig wetenschappelijke monografieën geschreven en al helemaal niet in het Nederlands. De heer Groenendijk heeft een belangrijk boek geschreven. Een nuchter boek, zoals hij zelf ook zegt.

Ik sta hier als onafhankelijk onderzoeker. 'Independent scholar' noemen ze dat in het buitenland. Dat klinkt misschien een beetje zielig: zo helemaal in m'n eentje, maar ik kan u verzekeren dat het ook heel prettig is. Toch is het jammer dat IK hier sta en niet iemand die vast aangesteld is aan een van onze universiteiten. De term islamofobie is namelijk een recent fenomeen en dus belangrijk om wetenschappelijk te bestuderen. En dan niet binnen een vakgroep psychologie, waar ze verstand hebben van allemaal andere fobieën, maar binnen een vakgroep die onderzoek doet naar de maatschappelijke kanten van de islamitische godsdienst: de islamografie, het beschrijven van de islam.

Islamofobie is een recent fenomeen, zei ik.

In de jaren '80 van de vorige eeuw was ik heel regelmatig voor mijn werk op bezoek in Arabische landen. In die tijd hoorde ik nooit spreken over islamofobie en kwam ik het begrip ook niet tegen in de krant. Zelfs niet in Saoedi-Arabië, waar toch de meest zuivere vorm van islam heerst. Wie het boek van Frans Groenendijk gelezen heeft of al langer bekend is met het begrip, weet dat het ook slaat op polemieken tegen de islam of tegen bepaalde uitwassen van de islam. Ik kan u verzekeren dat die polemieken er altijd al waren, ook binnen de Arabische wereld. Er wordt daar heel wat gepolemiseerd, over en weer, en het gaat er hard aan toe. Er verschijnen aan de ene kant boeken met kritiek op het fundamentalisme en er verschijnen boeken met kritiek op het verdorven seculiere Westen aan de andere kant. Allemaal in het Arabisch. Maar boektitels met het woord Islamofobie ben ik er nog weinig tegengekomen.

Het woord Islamofobie is problematisch omdat het niet betekent wat het betekent.
Heeft iemand al eens gekeken of Orwell het niet al stiekem bedacht had?

Groenendijk zegt terecht: een fobie is een ziekelijke soort angst. Als je het in een Arabisch woordenboek opzoekt staat er bij latijnse woord fobie: 'een ziekelijke of neurotische angst, zoals angst voor het donker': ḫawfu-n marḍiyyu-n aw ǧunūniyyu-n (mina ẓ-ẓalāmi maṯala-n). Het Arabische woord voor angst is dus: ḫawf (khawf). Maar het Arabische woord voor Islamofobie is islāmufūbiyyā. De meeste arabieren kennen geen latijn. Zij zullen bij dit woord dus niet denken aan 'angst voor de islam' en misschien kunnen zij zich ook helemaal niet voorstellen dat iemand angst heeft voor de islam. Ik zit daar wel een beetje mee. Waarom hebben de officiële instanties in de islamitische wereld het woord overgenomen in z'n westerse, latijnse vorm? Is dit omdat zij ook wel weten dat het niet om een 'angst' gaat? Maar waarom gebruiken ze dan niet een van de woorden die je altijd leest in de polemieken waar ik eerder over sprak? Woorden als ʿadāwa ('vijandigheid'), taṣādum ('clash') of mukāfaḥa (confrontatie, gevecht)? Misschien moeten we dit eens vragen aan de machtige Organisatie van de Islamitische Conferentie, de OIC, waarvan ook Suriname lid is. Zij zijn een belangrijke promotor van de islamofobie.

Ik wil graag nog een ander punt aanroeren en dat is de term Mohammedanisme. Hiermee zal Frans Groenendijk weinig vrienden maken, kan ik u vertellen. Toch wil ik hem hier wel bijstaan in zijn gang op dit stekelige pad. Op bladzijde 21 van zijn boek geeft Groenendijk een paar heel elegante argumenten ter onderbouwing van zijn keuze voor dit begrip, dat tot dertig jaar geleden nog gangbaar was, ook in serieuze wetenschappelijke publicaties. Ik heb vandaag een boek meegenomen dat wij in het eerste jaar van onze studie Arabisch aan de Universiteit van Amsterdam moesten bestuderen, in 1974: Mohammedanism, An Historical Survey van Hamilton Gibb. Ik moet er wel onmiddellijk bijvertellen dat je dit woord in de tekst van het boek zelf niet meer tegenkomt want hij spreekt consequent over islam en moslims. En in 1980 heeft Oxford University Press het boek heel correct omgedoopt in: Islam, An Historical Survey. Toch zegt Gibb op bladzijde 2 van mijn editie dat de term Mohammedanisme op zich niet ongerechtvaardigd is. Hij zegt dan: "In een minder zelf-bewuste tijd noemden moslims hun gemeenschap al-ummatu l-muḥammadiyya 'de Mohammedaanse gemeenschap'. Ik kan u verklappen dat ik deze term nog steeds regelmatig tegenkom in Arabische geschriften. Bijvoorbeeld in de preken van een Rotterdamse imam, die nog in 2007 werden uitgegeven in Casablanca. Het personage Mohammed is in de islam van cruciaal belang en zonder hem valt een groot deel van het bouwwerk in duigen. Zijn naam komt dus in het Arabisch miljoenen keren voor en dat geldt ook voor de aanduiding Mohammedaans als bijvoegelijk naamwoord.

Op bladzijde 21 van zijn boek zegt Groenendijk: 'De mohammedanen geven zelf de voorkeur aan de termen islam en moslim. Deze begrippen verwijzen echter helemaal niet naar Mohammed of Allah maar betekenen zoiets als onderwerping en hij die zich onderwerpt (aan de wil van god). Ze zouden dus ook gebruikt kunnen worden voor niet-mohammedanen.' Groenendijk doelt dan op het gegeven dat vanuit de islam christenen (en ook joden trouwens!) gezien worden als moslims, weliswaar als gemankeerde moslims omdat bijvoorbeeld de christenen Jezus als zoon van Allah beschouwen en omdat ze met de joden Mohammed niet erkennen als laatste profeet. Maar strikt genomen zouden christenen en joden, ook zonder ontkenning van hun eigen dogma's, zichzelf kunnen zien als moslims in de neutrale betekenis van mensen die zich onderwerpen. Maar dan zou ik mij als humanist bijvoorbeeld ook moslim van het humanisme kunnen noemen, want ik onderwerp mij dan aan het humanisme. Dit klinkt allemaal misschien wat flauw, maar er wordt heel wat geschermd met deze woorden om ons heen. De film van Ayaan Hirsi Ali heette Submission en dat was de Egelse vertaling van Islam. Het is allemaal erg verwarrend.

Een probleem dat kleeft aan de termen islam en moslims is dat ze door de geestelijke leiders op deze aardbol heel precies gedefiniëerd zijn en dat je als individuele gelovige daar moeilijk voor kan weglopen. Toch zijn er heel wat mensen die dat doen, openlijk of stiekem. In hoeverre kan je die nog moslims noemen, willen ze zelf nog zo genoemd worden? WIJ noemen ze graag 'culturele moslims', maar noemen zij zichzelf ook zo? Of is de angst voor de vertegenwoordigers van de orthodoxie nog heel groot? Misschien is dat ook wel een vorm van islamofobie....

Het is jammer dat de term islam en moslims zo is ingeburgerd want het aardige aan de term mohammedanisme en mohammedanen is de afstandelijkheid die je ermee kunt aangeven. Net als wanneer je spreekt over christenen of boeddhisten. In mijn jeugd waren er boeken waar, helemaal niet negatief, over de mohammedanen gesproken werd, over hun gebruiken en leefwijzen. Bij mij op de lagere school zat een arabisch jongetje en die noemden wij 'de mohammedaan'. Hij kwam uit Saoedi-Arabië en wij vonden hem machtig interessant. Hij liet mij boekjes zien met allemaal mooie krulletters met punten erboven en eronder. Hij heeft vast bijgedragen aan mijn latere arabofilie, en daarmee bedoel ik mijn liefde voor de Arabische taal en cultuur.

Het beste argument voor de term mohammedanisme geeft Frans Groenendijk op diezelfde bladzijde 21. Van boeddhisten weet ik het niet, maar marxisten aanbidden niet Karl Marx, en darwinisten aanbidden niet Darwin. Marxisme en darwinisme zijn wel belangrijke ideologieën, net als de islam. U weet allemaal dat we tegenwoordig ook nog de term islamisme hebben naast islam, en daarover zou ik u ook een lang college kunnen geven.
Mohammedanisme is een eenvoudige term, en nuttig voor mensen die zich strikt afstandelijk willen opstellen. Maar, mijnheer Groenendijk, wanneer u wilt blijven vasthouden aan deze term: misschien kunt u bij een volgende druk van uw waardevolle boek overwegen om in het verlengde van de woordparen marxisme-marxisten en darwinisme-darwinisten volgende keer te spreken over mohammedanisme-mohammedanisten in plaats van mohammedanisme-mohammedanen! Daarmee brengt u uw boek nog dichter bij de zeer legitieme wetenschappelijk verantwoorde kritiek op ideologieën.

Simon Admiraal, arabist

"Bedankt fffoor de ssnelle behantheling"

Teethmadonna400a071807

Ik was er nooit aan begonnen als ik niet per ongeluk een klein stukje van m'n voortand had afgeslagen. Met een soeplepel. Zomaar, op een doordeweekse dag stak ik die lepel iets te hoog en iets te hard in m'n mond, alsof ik de weg eventjes kwijt was en vrijwel onmiddellijk voelde ik scherfjes in m'n mond. Toen ik vervolgens met mijn tong razendsnel m'n tanden aftastte, wist ik 't zeker: er was een stukje van mijn voortand af, meer een flinke scherf misschien maar als je goed kijkt, zie je het wel.

Dus bel ik de tandarts bij wie ik nu zo'n twintig jaar voor doorlopend onderhoud kom en vraag of ie, nu hij toch werk aan m'n voortanden heeft, het spleetje (diasteem) ertussen kan dichten. Op deze mogelijkheid heeft hij me al 'ns eerder gewezen, dat zoiets technisch gezien een fluitje van een cent is en dat je er niets (!) van ziet. Toch maakte zijn enthousiasme voor deze eenvoudige ingreep nooit zo'n indruk op me.

Niet dat ik vind dat 't spleetje bij mij hoort, dat is onzin, het heeft zo z'n voordelen dat tanden aaneengesloten zijn, maar ik heb er nooit last van ondervonden en zó ijdel ben ik niet. Ik zie het zelf niet eens, behalve op foto's en wanneer ik in de spiegel kijk natuurlijk, en op die manier was het me al eens opgevallen dat die extra ruimte door de jaren heen groter was geworden. Fracties van millimeters, maar toch.

Ik ga bij wijze van spreken liever naar de tandarts dan naar de kapper maar nu knijp ik 'm wel een beetje. Ik twijfel nog, wil eerst wat langer met m'n tandarts overleggen over hoe en wat en zo, maar dat vindt de vakman niet nodig, hij stelt me resoluut gerust met de woorden: "laat het maar aan mijn esthetisch inzicht over, dan maak ik er iets moois van".

Voor m'n tandarts is het dagelijkse kost, hij zal wel weten wat ie doet, en was het niet zo dat de vrouw van Ruud Lubbers niets in de gaten had toen d'r man thuiskwam na deze esthetische ingreep van niets? Zoveel lef heb ik niet, ik heb wel degelijk vooraf met het thuisfront overlegd maar G. vindt alles oké, wat ook niet alles is, maar goed.

Daar lig ik dan, en ik weet niet of de lezer dat ook doet maar ik staar naar het gezicht van mijn tandarts dat in al die jaren weinig veranderd en nauwelijks verouderd is. Tandarts zijn moet een relaxed beroep zijn, althans zoals hij 't uitoefent. De behandeling is pijnloos en na zo'n tien minuten, gaat de ligstoel langzaam omhoog en overhandigt hij me 'n handspiegel: "kijk, een héél andere Annelies!". Dat 'heel andere' zint me niet helemaal, maar als ik de spiegel dicht bij m'n gezicht wil aanbrengen om die heel andere Annelies eens goed te aanschouwen, mag dat niet: "Nee, je moet er eerst van een afstandje aan wennen," bepaalt hij, en hij houdt de spiegel op armlengte.

Ik kijk, ik voel voor 't eerst met m'n tong en ik schrik, dit zijn geen gewone tanden meer, dit zijn konijnentanden! En wat voelt 't raar, net alsof er behangsel aan de achterkant van m'n tanden is geplakt. Is allemaal normaal, verzekert de tandarts me voor ik een woord heb kunnen uitbrengen, en z'n assistente knikt instemmend. De ingreep is volledig geslaagd en ik moet toegeven dat ik geen enkel kleurverschil zie maar wat zijn die twee tanden groot en dik! Niet normaal.

Vooraf was er geen plaats voor maar nu krijg ik zowel van de tandarts als de assistente aanvullende opmerkingen en adviezen te horen die ik liever eerder had vernomen, vóórdat ik er aan begon: 'het is natuurlijk logisch dat de tanden groter en langer lijken want ik heb er wat aan moeten plakken maar het is een kwestie van wennen, over twee, drie maanden (!) zal ik echt geen verschil meer merken, ik moet eerst maar eens de reacties van anderen afwachten en dit is toch veel mooier', en dan begint de assistentie ook nog over haar eigen esthetische tandcorrectie. Ze toont me vrijmoedig haar blinkende tanden waaraan ik echt niets kan ontdekken waardoor zij er maanden aan heeft moeten wennen; ik weet zeker dat het bij mij anders is.

Ik verman me echter en veer op want wil zo snel mogelijk alleen met m'n 'nieuwe tanden' zijn, en zeg: "Bedankt fffoor de ssnelle behantheling".

Help! Ik kan niet meer normaal praten, ik slis! En niet zo'n klein beetje ook, met name de f-klank komt er niet normaal uit, m'n tong blijft dan achter die grote, vreemd aanvoelende konijnentanden steken. Het is lachwekkend, maar ik moet nu eerst weg van deze plek.

De avond die volgt is er een van licht gejammer, en 't lukt G. maar niet me met z'n "het valt heus wel mee," en "ik houd even goed van je" gerust te stellen. Ik voel me een ander mens, inderdaad een 'heel andere Annelies' maar niet degene die ik me had voorgesteld.

De volgende ochtend hang ik vroeg aan de telefoon. Afgezien van het feit dat ik het esthetisch geen vooruitgang vind - het kan toch niet de bedoeling zijn dat ik door deze eenvoudige ingreep anders ben gaan praten? Ik heb toch geen kunstgebit gekregen? Dit was toch een fluitje van een cent? Van dat slissen na zo'n ingreep heeft m'n tandarts nog nooit gehoord, althans, hij gaat er niet op in maar gelukkig kan - als ik daar op sta - alles technisch ongedaan gemaakt worden, daar doet hij niet moeilijk over, het is zijn vak, en dat is het enige wat ik wil horen, al wil hij me niet eerder dan over twee weken terugzien, eerst moet ik 't maar eens uitproberen en reacties van derden afwachten.

De reacties van anderen kunnen me niets schelen, al is het waar dat niemand die ik in die vier weken zie - ja ik heb echt m'n best gedaan - dat niemand in die periode iets aan mij heeft gemerkt. Geen zusters, geen vrienden, geen kennissen is de verandering opgevallen, maar na die vier weken heb ik genoeg van het geslis en die rare, onnatuurlijk aanvoelende grote tanden.

"Weet je wat," zegt de tandarts, als ik hem een maand later vanuit de ligstoel wederom aanstaar, "ik maak de ruimte weer open maar wel iets minder groot dan ie was en 'k haal ook wat van de lengte af".

Ik denk dat mijn tandarts heel wat heeft meegemaakt maar dit vast nog nooit (ik durf hem er niet meer naar te vragen), maar het zijn en blijven mijn tanden én diasteem.

AnneliesvanderVeer

Gelul Op Twitter


Afbeelding_117_4

[Ahmed Marcouch houdt stug vol: religies en 'n geaardheid (homosexualiteit) op 1 lijn stellen. En Ahmed Marcouch, mogen ongelovigen in Nederland ook zichzelf zijn?]

Zolang...

Gevonden_voorwerpen_3
Update 2, 24.2.2010:
"Inderdaad, ik heb me vergist in de emancipatiedrift van de Nederlandse moslims. Maar bovenal heb ik me vergist in de hardnekkigheid waarmee deze emancipatie is tegengewerkt door politieke partijen, die ooit werden opgericht om hun achterban te emanciperen." door Carel Brendel hierr.

Plus update! 'Het Mandement van bisschop Mohamed Rabbae' hierr.

De gemeenteraadsverkiezingen - Sheikh Fawaz Jneid


(...) Zolang het een zaak betreft die ons allen aangaat, wordt samenwerking met niet-moslimorganisaties niet uit de weg gegaan. Het uitgangspunt hierbij dient te zijn dat deze samenwerking waarheid en rechtvaardigheid bevordert. Allah zegt (interpretatie van de betekenis):

“Ondersteunt elkaar bij het goede en godsvrucht. En ondersteunt elkaar niet bij zonde en agressie.”
(Soerat al-Maa’idah: 2)

In het licht van het voorgaande kunnen wij zeggen dat bij de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen de moslims in Nederland voor een serieuze uitdaging komen te Imam_sheik_fawaz_jneidstaan. Een uitdaging wat betreft het opkomen voor hun rechten. Politiek Nederland moet duidelijk worden gemaakt dat ze niet om ons heen kunnen bij het maken en invoeren van wetten.

Dit kunnen wij verwezenlijken door actief deel te nemen aan deze gemeenteraadsverkiezingen en te stemmen op degene die oprecht bereid is zich in te zetten voor de zaak van de moslims. Hierbij horen onder meer:

1. Het recht op Islamitische scholen.
2. Het recht van de moslima op het dragen van de hoofddoek; in het bijzonder op scholen en op werkplekken.
3. Het verwerpen van iedere vorm van belediging richting God, Boodschappers en Islamitische Voorschriften.

(...) Tevens moeten we niet vergeten dat Adolf Hitler en Benito Mussolini, dankzij hun propaganda, aan de macht kwamen via de stembus. Propaganda die niet veel verschilt met die van een aantal hedendaagse rechtse figuren. Vele kiezers waren toentertijd misleid door deze propaganda die naderhand de burgers alleen maar oorlog, moord en verwoesting bleek te hebben toegebracht.

(volledige bericht hierr)

De rol van de Sharia en Islam in onze multiculturele samenleving

Arabist_jansen

AAN: Lorenzo Favetta
Hoofdredacteur Fiat Justitia
Rotterdam

Utrecht, 3 januari 2010

Zeer geachte Lorenzo Favetta:

Allereerst mijn beste wensen voor 2010. Het kon wel eens een roerig jaar worden. Het bewind Balkenende heeft zoals u weet in december 2009 een dagvaarding laten betekenen aan een zekere G.W., waarin de Officier van Justitie deze G.W. ten laste legt strafbare meningen geuit te hebben. De regiezitting staat geagendeerd voor woensdag 20 januari 2010 aan de Parnassusweg in Amsterdam.

G.W. wordt in deze dagvaarding onder meer ervan beschuldigd dat hij de Paus geciteerd heeft. De Heilige Vader is ook maar een mens, niet alles wat hij zegt is onaantastbaar en bijzonder. Maar tot op heden zijn er maar weinig regimes die het aangedurfd hebben het citeren van de Paus te criminaliseren. Maar Balkenende en zijn compagnons zien daar niet tegenop. Dit is pas de ware geest van de VOC.

Zo beschuldigt de dagvaarding (p. 2, onderaan) de verdachte ervan in de Volkskrant van 7 oktober 2006 gezegd te hebben: ‘De Paus heeft volkomen gelijk’. Je moet maar durven! Bewondering voor de moed van het regime en haar dienaren en kamerheren is op zijn plaats, want er zijn niet veel regimes die een confrontatie met de Paus langdurig overleefd hebben.

Anderzijds moet ik onder zulke omstandigheden afzien van het leveren van een bijdrage aan uw blad over het door u voorgestelde onderwerp: ‘De rol van de Sharia en Islam in onze multiculturele samenleving’, indien tenminste mijn artikel ook verspreid en openbaar gemaakt zal worden. Laat ik u in deze brief uitleggen waarom.

De hierboven genoemde dagvaarding bevat meer dan alleen de beschuldiging dat verdachte de Paus en de Italiaanse schrijfster Oriana Fallaci geciteerd heeft. Deze dagvaarding is zo algemeen van aard en zo ruim gesteld dat zo goed als alle boeken of artikelen op mijn vakgebied er onder kunnen vallen. Mijn vakgebied, de islamografie, en dat direct vanuit de Arabische bronnen, wordt daarmee verboden terrein voor een ieder die niet in conflict wil komen met de mannetjesputters van het regime.

Het is nu zelfs de vraag geworden of de boeken en tijdschriften die de universiteitsbibliotheken over dit vakgebied bevatten, wel op de schappen kunnen blijven staan. Immers, ook op de inhoud van dit (tot voor kort zo eerbiedwaardige!) drukwerk is de dagvaarding haast volledig van toepassing. Alhoewel, mogelijk is hier het opportuniteitsbeginsel van toepassing. De Officier van Justitie kan moeilijk de collecties van de Nederlandse universiteitsbibliotheken gaan doorzoeken op dit thema. Mogelijk dat hiervoor in een later stadium wel mankracht zal kunnen worden vrijgemaakt. Laten we er maar het beste van hopen.

De situatie brengt de apocriefe anekdote in herinnering over de commandant van het leger dat kort na de dood van Mohammed (570-632) Egypte heeft onderworpen, een zekere Amr Ibn al-As. Deze generaal verovert in 641 de stad Alexandrië voor de islam, en laat dan de bibliotheek daar in brand steken omdat wat er al in de Koran staat, niet meer elders bewaard hoeft te worden. Wat er niet in de Koran staat, hoeft al helemaal niet bewaard te worden. De bibliotheek van Alexandrië is eeuwenlang de beste, grootste en belangrijkste bibliotheek van de planeet geweest. Hoewel, haast ik mij te zeggen, de islam is beter, groter en belangrijker.

Uw verzoek aan mij dateert van enige tijd terug. Uw verzoek luidde of ik bij machte was een stuk over de islam en de sharia te schrijven dat juristen met plezier zouden kunnen lezen. Daarop heb ik destijds haast direct ‘ja’ gezegd, maar het schrijven en publiceren van dergelijke stukken kan natuurlijk nu niet meer. Zeker iemand die geen jurist is weet voorlopig niet wat er wel en niet mag wat dit onderwerp aangaat.

Is het beledigend vast te stellen dat de islam niet alleen een geloof is, maar ook een levenswijze? De Koran zegt dat ook, dus waarschijnlijk ben ik met deze bewering niet op gevaarlijk terrein. U weet het: Een geloof bestaat uit een verzameling oncontroleerbare stellingen als ‘de hemelen verkondigen Gods eer’, of ‘Jezus is de Zoon van God’, of ‘Mohammed is de Gezant van Allah’. Een levenswijze is daarentegen een verzameling van daadwerkelijk uit te voeren handelingen, die in een bepaalde gemeenschap als norm gelden.

De juiste islamitische levenswijze, leert de theorie van de islam, is door juristen onder woorden gebracht met behulp van de aanwijzingen die de Koran bevat, en opgebouwd tot een volwaardig juridisch systeem, de zogeheten sharia. Wie nu nog niet weet wat de sharia is, kan wel op het dak gaan zitten. Daar zal hij een Amsterdamse Rechter-Commissaris aantreffen die denkt dat de sharia ‘het islamitische canonieke recht’ is, vergelijkbaar met de bloedeloze Hervormde Kerkorde, of de Roomse reglementen omtrent het celibaat.

Rechtshistorici daarentegen denken soms dat de sharia een geïslamiseerde vorm is van het provinciaal Romeins recht zoals dat in het Midden-Oosten voor de komst van de islam gold. Allerlei rechtsregels uit de wereld van Keizer Justinianus (483-565), de bouwer van de Aya Sofia, komen we eveneens tegen als uitspraken die worden toegeschreven aan de gezellen van Mohammed (570-632), de profeet van de islam. Dat is een groot wonder, en het bewijst Gods bijzondere belangstelling voor Mohammeds tijdgenoten, en zijn speciale goedgunstigheid jegens deze generatie, aan wie het Midden-Oosten zo veel te danken heeft. Hierover is gepubliceerd door Bat Yeor, Patricia Crone, en vele anderen. Het is voorlopig de vraag of het toegestaan is te veronderstellen dat de sharia grotendeels een voortzetting is van deze vorm van het Romeins recht. Moge God verhoeden dat zulke islamofobe ketterijen en beledigingen verder verspreid worden.

De vrienden en vriendinnen van de islam weten als weinig anderen hoe het wél zit. Eigenlijk ben niet ik degene die u moet uitleggen wat de bevoegde islamitische godsdienstonderwijzers onderwijzen. Dat moeten zij zelf doen. U weet, die godsdienstonderwijzers doen namelijk nog wel wat meer dan kinderen met stokslagen dwingen de koran uit het hoofd te leren. Zij stellen bijvoorbeeld dat Mohammed het ‘goede voorbeeld’ is voor alle moslims. Dit zegt de Koran inderdaad ook, en wel in vers 33:21. (In het Nederlands worden de islamitische godsdienstleraren meestal ‘imam’ genoemd).

Mohammeds uitspraken zijn overgeleverd in een zestal canonieke verzamelingen. Mohammeds leven is beschreven in een aantal klassieke biografieën, waarvan de oudste die van Ibn Ishaq is. Dit boek dateert mogelijk van ongeveer 750. Dat is meer dan een eeuw na de dood van Mohammed. Helaas zijn er nog geen inscripties of papyri gevonden die de historiciteit van Mohammed op hetzelfde niveau brengen als de historiciteit van, bijvoorbeeld, Alexander de Grote, Julius Caesar of Pontius Pilatus. Maar wat niet is, kan nog komen.

Die islamitische overleveringen over wat Mohammed zoal gedaan heeft, zijn in moderne ogen verontrustend van inhoud en strekking, zeker indien dit als voorbeeld voor moderne moslims moet gelden. Mohammed heeft weerloze krijgsgevangen die zich aan hem hadden overgegeven, laten executeren. Mohammed heeft rond zijn woonplaats karavanen, oases, steden en dorpen overvallen en beroofd, en de inwoners als slaaf verkocht. Mohammed heeft een huwelijk met een jong meisje gesloten, en haar toen zij negen jaar oud was ontmaagd.

Mohammed heeft op één dag zes- tot negenhonderd joden onthoofd. De beschuldiging tegen hen luidde dat zij onderhandelingen hadden geïnitieerd met anderen, die zich ook door Mohammed bedreigd voelden. Er zit trouwens ook nogal wat Jodenhaat in de Koran, een tekst die volgens de islamitische theologie het letterlijke woord van God is – dat wil zeggen, moslims geloven dat Mohammed heeft gezegd dat de engel Gabriel heeft gezegd dat God deze woorden gezegd heeft. Een zekere Bill Warner heeft het nageteld, en classificeert 10.6% van de tekst van de Koran als anti-Joods, tegen 6.8% van de tekst van Mein Kampf, een boek van de hand van de Duitse staatsman A. Hitler. Maar het spreekt vanzelf dat zoiets lastig uit te rekenen en te controleren is.

Mohammed heeft opdracht gegeven tot een aantal sluipmoorden, onder andere op een zwangere dichteres die hem bespot zou hebben. Mohammed behandelde vrouwen als oorlogsbuit. De ware postmoderne multiculturalist maakt zich hier geen zorgen over. Integendeel, deze daden zijn goed want het was de gezant van God die ze pleegde. Dit was immers Gods wil en opdracht. Wat God doet dat is welgedaan, zijn wil is wijs en heilig.

Naast de Koran en het overgeleverde voorbeeld van Mohammed kent de sharia nog twee bronnen, of ‘wortels’, zoals de godsdienstonderwijzers zeggen, namelijk de analogie en de consensus. Wat analogie is, is duidelijk: Als wijn verboden is, is port dat ook. Ook consensus wordt als een ‘wortel’ beschouwd omdat het ondenkbaar is dat God zijn gemeente eenstemmig laat dwalen. Als er sprake is van eenstemmigheid, kan er niet tegelijkertijd sprake zijn van dwaling. De sharia is niet gecodificeerd, maar iedereen kan de godsdienstleraren komen vragen hoe het zit. Het antwoord op zo’n vraag heet een fatwa. Degene die een fatwa geeft, wordt een Mufti genoemd.

De islam leert dat de Koran niet in één keer maar geleidelijk aan en in gedeelten geopenbaard is. Dat betekent dat het ene vers ouder is dan het andere. Wanneer er een conflict tussen twee verzen bestaat, heeft het latere vers de voorkeur. In de begintijd van de Koran werd de wijn geprezen; aan het einde verboden (Koran 2:219 en 47:15). Zoals bekend heeft de sharia het verbod overgenomen. In het begin vraagt de Koran om godsdienstvrijheid, nl. voor de aanhangers van Mohammed in Mekka (Koran 109:8). Later geeft de Koran opdracht om wie niet bereid zijn Mohammed als Gezant van God te erkennen, te beoorlogen en te doden behalve als ze zich bij de islam willen aansluiten (bijvoorbeeld 9:5, en omstreeks 164 parallelpassages). De sharia heeft dit gebod tot beoorloging overgenomen.

Het probleem met de sharia is niet dat de concrete rechtsregels van de sharia in strijd zijn met de regels die de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens bevat. De regels die de UDHR (1948) geeft, zouden veranderd kunnen worden, zoals dat ook metterdaad gebeurd is in de universele verklaring voor de islamitische mensenrechten, de UIDHR van Parijs 1981, of de Cairo Declaration on Human Rights in Islam van 1990. Het probleem is vooral dat de regels van de sharia niet gemaakt worden door gekozen politici, maar door leden van het gilde van de elkaar coöpterende godsdienstleraren. Ook maken de regels scherp verschil tussen mannen en vrouwen, moslims en anderen, en tussen wie slaaf is en wie vrij is. Die drie onderscheidingen zijn niet in overeenstemming met de Westerse idealen omtrent de gelijkheid van de mens.

Zowel voor moslims als voor anderen is de sharia het belangrijkste gedeelte van de islam. Anders dan de verdedigers van de islam buitenstaanders willen inprenten, is de sharia een monument van overeenstemming. Gezien de wijze waarop de sharia tot stand is gekomen, is dat niet verwonderlijk. Aan de rafelrandjes van marginale kwesties bestaan meningsverschillen zoals dat in ieder rechtssysteem het geval is. Als zulke verschillen er niet waren, zouden partijen die elkaar voor de rechter willen dagen immers niet beide een advocaat kunnen vinden. Overigens kent de sharia eigenlijk geen advocaten, de gedaagde staat er alleen voor. De klassieke functie van de professionele, rechtsgeleerde raadgever uit het Romeinse recht is in de sharia getransformeerd tot de figuur van de rechtsgeleerde mufti.

Misschien dat er individuele moslims zijn die bijvoorbeeld de islamitische mystiek, het Soefisme, diep in hun hart belangrijker vinden dan de ‘werken der wet’ zoals de islam die voorschrijft. Maar van zulke opvattingen gaat geen invloed uit op het openbare leven of de openbare ruimte. Van de sharia daarentegen wel, zowel in oorlogs- als in vredestijd. De profeet van de islam heeft bijvoorbeeld gezegd dat hij gekomen is om aan drie zaken een einde te stellen: het teken des kruises, de kruik en de luit.

De voorhoede van de islam maakt dan ook bezwaar tegen het kruis op de mijter van Sinterklaas, of op het overhemd van een Amsterdamse trambestuurder. De Taliban vernietigen muziekinstrumenten in de gebieden die zij veroverd hebben. De Soedanezen in Khartoem hebben grote hoeveelheden prachtige whisky de Nijl in gespoeld. Natuurlijk is voor veel moslims de eis een einde te maken aan kruis, kruik en luit vooral theorie. Maar de buitenwereld weet nooit wanneer de theorie gepraktiseerd zal gaan worden. Dat schept rechtsonzekerheid. Mag ik mijn speelgoedbeertje wel Mohammed noemen? Het antwoord op die vraag kan bepalend zijn voor leven en dood.

Aan het einde van deze brief wil ik graag toch nog even terug naar het geloof (niet de wetten) van de islam, al was het alleen maar omdat er in het Westen veel belang wordt gehecht aan het geloof, zo zelfs dat in westerse oren de woorden ‘geloof’ en ‘godsdienst’ haast synoniemen zijn. Elke godsdienst kent een geloofsleer, naast een gedragsleer, een systeem van ritueel en een regeling ter uitoefening van het godsdienstig gezag. Het geloof is weliswaar slechts een van de vier wielen van de automobiel, maar we weten allemaal dat je op drie wielen niet rijden kan.

De geloofsbelijdenis van het christendom gaat uitsluitend over het christendom. ‘Ik geloof in God de almachtige vader, schepper van hemel en aarde, en zijn eniggeboren zoon Jezus Christus, licht uit licht, waarachtig God uit waarachtig God,’ enzovoort. De islamitische geloofsbelijdenis gaat daarentegen niet over de islam maar over de andere godsdiensten, eigenlijk over alle godsdiensten behalve de islam: ‘Er is geen god dan Allah’.

Een geloofsbelijdenis is toch een intiem document dat op intieme momenten te voorschijn wordt gehaald. Niet in het geval van de islam. De islamitische geloofsbelijdenis gaat over anderen, en laat weten dat alles wat anderen geloven, flauwekul is, en apekool. Het is mogelijk dat deze islamitische opvatting juist is, maar onbeleefd en bemoeizuchtig is het toch ook wel. Waarom zo veel vijandschap en agressie jegens anderen, en dat in een document dat toch bedoeld zou moeten zijn om de eigen geloofsleer samen te vatten?

Overigens noemen moslims hun credo niet ‘geloofsbelijdenis’, maar ‘getuigenis’, hetzelfde woord dat bij een rechtbank voor ‘getuigenverklaring’ wordt gebruikt. Dat is misleidend. Het gaat niet om een getuigenis omtrent eigen waarneming en wetenschap, maar om een ongevraagde, afkeurende mening over het geloof van iedereen die geen moslim is. Het is te hopen dat de verwarring die dit woordgebruik zaait, geen invloed heeft op moslims die als getuige bij een rechtbank optreden.

Zeer geachte Lorenzo Favetta: Nogmaals geef ik uitdrukking aan mijn teleurstelling dat ik ondanks onze afspraak geen publicabel artikel zal kunnen leveren. We weten pas weer waar we aan toe zijn nadat de processen tegen de cartoonist Gregorius Nekschot en de genoemde G.W. (overigens een gekozen parlementariër) tot in hoogste instantie gevoerd zijn, en dat kan nog wel even duren. Tot zo lang: Mondjes dicht, en snaveltjes toe.

Hoogachtend,


Hans Jansen

Gepubliceerd in: Fiat Justitia, Jrg. 22, nr. 2, Februari 2010, pp. 14-17

9 vragen aan Frans Groenendijk

Uwwebmaster

Wederom actueel, bovenaan gezet speciaal voor Michiel Middendorf, directeur van World Forum. Kritisch islamboek tóch gepresenteerd in Den Haag.

Frans Groenendijk
(56 jaar), docent wiskunde op een middelbare school, schreef het boek 'Islamofobie? Een nuchter antwoord'. Hij gaf het in eigen beheer uit. Enkele kritische vragen die ik de auteur per email voorlegde.

Vraag 1.
Er verschijnen de laatste jaren nogal wat boeken over 'de islam' en aanverwante onderwerpen, geschreven door gezaghebbende en kritische schrijvers als Ayaan Hirsi Ali, Nahed Selim, Arabist Hans Jansen, rechtsgeleerden Afshin Ellian en Paul Cliteur, om auteurs als Bat Ye'or, Bruce Bawer, Robert Spencer, Christopher Caldwell en Rodney Stark maar niet te noemen. Ik heb uw boek niet gelezen, wel doorgebladerd en her en der wat fragmenten gelezen en het viel me daarbij op dat u onderwerpen aansnijdt waarover genoemde auteurs en anderen reeds uitgebreid gepubliceerd hebben.

Waarom zou de lezer uit het grote, gevarieerde aanbod boeken over dit onderwerp juist uw boek moeten lezen?

Frans Groenendijk:
Vraag 1 en 2 beantwoord ik graag in samenhang. Het is echt een eer om in een alinea genoemd te worden met deze mensen, maar ik heb aan mijn afkomst uit een arbeidersgezin ook geen last van valse bescheidenheid overgehouden. Ik heb mezelf deze vragen ook gesteld en er zelfs in het voorwoord iets over aangestipt.

Hoewel er uiteraard ook overlap is, is mijn boek heel anders dan dat van elk van hen.

Het belangrijkste verschil zit in mijn volkomen politieke en zodoende ook niet louter analyserende insteek. Op een prominente plaats op “De Webstek bij het Boek” heb ik het weinig bekende citaat van Churchill opgenomen waarin hij niet de Koran met Mein Kampf vergelijkt maar Mein Kampf met de Koran. “Churchill bekeek het mohammedanisme en het Arabische imperialisme zoals elke rationeel denkende staatsman zou doen: in het licht van de realiteit, geopolitieke verhoudingen en internationale macht” staat daar nog bij. Niet dat ik mezelf nu neer wil zetten als staatsman, maar rationeel denkend ben ik wel en ik probeer uit het optreden van de grootste Brit die ooit geleefd heeft, wel degelijk inspiratie te putten. Daarnaast heb ik het boek geschreven als “ex-linkse, maar niet rechtse” politicus. Juist vanwege mijn linkse geschiedenis en bekendheid met de manier van discussiëren binnen GroenLinks en PvdA-kring, is mijn betoog voor hen hopelijk goed te volgen. Ik ben in dit verband ook blij dat juist het GroenLinks Kamerlid van Marokkaanse afkomst, Tofik Dibi, toegezegd heeft bij de officiële presentatie van het boek een eerste exemplaar in ontvangst te komen nemen.

Mijn insteek lijkt een beetje op die van de onvolprezen onderzoeksjournalist Carel Brendel, schrijver van Het verraad van Links, die op HoeiBoei gelukkig ook vaak te lezen is. Islamofobie? heeft echter een meer historische en meer internationale invalshoek en focust ook veel sterker op het mohammedaanse gedachtegoed zèlf. Een cruciale passage die dit verheldert staat in het hoofdstuk over trouwen binnen de familie, genitale verminking en eerwraak:

“Wanneer je bovenstaande tot je door laat dringen wordt het verdedigen van het mohammedaanse gedachtegoed ineens heel veel moeilijker. De Mauretaanse cultuur en niet de officieel vastgelegde invloed van sharia, is bepalend voor het voortbestaan van de praktijk van het letterlijk vetmesten van meisjes voor de huwelijksmarkt. De Pakistaanse cultuur en niet de officiële mohammedaanse grondslag van dat land is bepalend voor het grote aantal vrouwen dat er vermoord wordt omdat ze met iemand van eigen keuze willen trouwen. Teheranse vrouwen die onvoldoende gesluierd zijn worden opgepakt vanwege de politieke lijn van Ahmadinejad in plaats van door het theocratische karakter van die staat. Als dat allemaal waar is, hoe kunnen we dan nog om de constatering heen dat het beschaafde gezicht van het mohammedanisme in Nederland en andere westerse landen te danken is aan de westerse cultuur en niet aan de mohammedaanse ideologie? Of wat minder omzichtig geformuleerd: dat het mohammedanisme voor velen in Westerse landen niet zo bedreigend overkomt is te danken aan het feit dat het mohammedanisme hier nog niet zo veel invloed heeft”.

In Islamofobie? gaat het ook over grote lijnen. Terwijl anderen een oorlogszuchtige of juist een vredelievende passage uit hoofdstuk 8 onder de loep nemen, wijs ik op de naam van dat hoofdstuk -“De (oorlogs)buit”- en vraag me hardop af wat een hoofdstuk met zo’n titel doet in een ‘heilig’ boek.

Het vertrouwen om een boek te ‘durven’ schrijven over dit onderwerp ontleen ik aan een hoge mate van respectloosheid. Respect is immers (volgens Van Dale) “eerbied uit hoogachting of angst” en hoogachting noch angst is bij de benadering van het mohammedaanse gedachtegoed op zijn plaats. Het kind dat riep dat de keizer naakt was, hoefde helemaal niet over heel speciale kwaliteiten te beschikken: het missen van ongezonde remmingen volstond. Het weblog dat “De Webstek bij het Boek” gaat begeleiden heet niet voor niets “Keizers & Kleren”.

Vraag 2.
U heeft in uw opleidingscarrière geen islam georiënteerde studie gevolgd. Wat geeft u het vertrouwen om dan zo'n uitgebreid boek over dit onderwerp te schrijven?

Zie bij antwoord vraag 1.

Vraag 3.

Heeft u ook andere boeken geschreven?

Frans Groenendijk:
Wel eens een artikel in een tijdschrift van enig nvieau en een oplage van enkele duizenden, maar een boek nog nooit. Best spannend.

Vraag 4.
De betekenis en de zinvolheid van het woord islamofobie staan zeer ter discussie. Was het niet verstandiger uw boek een inhoudelijk concretere titel te geven?

Frans Groenendijk:
Nee, juist niet. Ik ben echt zeer tevreden over de titel. De kreet ‘islamofobie’ is het vaandel waaronder de belangrijkste politieke manifestatie van het mohammedanisme, de OIC, zij aan zij met extremisten en verdwaasden uit het Westen, de vrijheid van meningsuiting aanvallen: de moeder van alle vrijheden in de woorden van Salman Rushdie. Mijn bedoeling en hoop is dat Islamofobie? als een nucleaire boemerang op deze acties terug zal slaan. Bovengenoemde Winston Spencer Churchill voorspelde al dat de volgende grote confrontatie er vooral een zou zijn van ideeën. Hij merkte ook op dat een nieuw fascisme zich vermoedelijk zou tooien met de term anti-fascistisch. We zijn nu getuige van de juistheid van beide voorspellingen. Ik hamer ook op het belang van de correcte term ‘mohammedanisme’ in plaats van het verdoezelende en verwarrende ‘islam’. Woorden zijn belangrijk in de ideologische strijd.

Vraag 5.
Uw schrijfstijl is bijzonder zakelijk, ja nuchter te noemen- dat schrijft u met gepaste trots zelf - zelfs in het korte hoofdstuk dat 'over mijn moeder' heet, houdt u dat consequent vol. In het algemeen lijkt enige vorm van zelfspot u vreemd te zijn, terwijl u in een noot op pagina 298 uw teleurstelling uit over de wat cynische toon van 'Barry Oostheim' die in zijn artikel 'Dhimmitude op Nederlandse universiteiten' een onthutsend beeld schetst van de propagandabolwerken voor het mohammedanisme binnen westerse universiteiten.

Kunt u zich voorstellen dat een ironische (of desnoods cynische toon) een artikel of boek beter leesbaar maakt en dat de boodschap dan evengoed overkomt?

Frans Groenendijk:
Bedankt voor het compliment. Zelfspot is wel aanwezig in het boek maar ik geef toe dat het er niet dik boven op ligt wanneer ik bijvoorbeeld schrijf over mijn actie om stenengooiende Marokkaanse jongens tot bedaren te brengen. Ironie is zeker een sterk stijlmiddel -ik ben er helaas niet zo sterk in- maar cynisme is bij dit thema, is eigenlijk bij elk politiek thema misplaatst, al was het maar omdat steeds weer blijkt dat dit lang niet door iedereen begrepen wordt. Een cynische toon versterkt reeds overtuigden in hun opvatting maar overtuigt zelden iemand.

Vraag 6.
U komt uit een katholiek gezin maar bent al jaren atheïst. Toch staat er op pagina 327 te lezen, daar waar informatie over de auteur wordt gegeven, dat uw verjaardag samenvalt met de feestdag voor de patroonheilige van Barcelona 'Virgen de la Merced' en dat "dat patroonschap teruggaat op de tijd van de mohammedaanse overheersing van het Iberisch schiereiland toen de orde van Merced werd opgericht. De orde der mercedarios had als doelstelling het bevrijden van katholieke gevangen uit de handen van de mohammedaanse heersers. In het bijzonder werden tot slaaf gemaakte mensen vrijgekocht."

Heeft u uzelf een dergelijke taak of rol toebedacht? Wilt en gaat u Nederland 'redden'?

Groenendijk:
Dat was dus juist een beetje verhulde zelfspot. Toen ik een aantal mensen wees op dat grappige toeval schreef er een iets terug in de trant van “Nomen est omen”. Tegelijkertijd vond ik het een goede kapstok om nog eens extra de aandacht te vestigen op een deelonderwerp van het mohammedanisme-debat waarbij ik altijd de grootste moeite heb om niet te gaan schuimbekken: slavernij. Het idee om lieden die mensen, kinderen zelfs, tot slaaf gemaakt hebben, geld te geven om hen weer vrij te laten is zo walgelijk. Mijn weerzin daartegen leidde tot deze alinea in het boek: “In de documentaire ‘My Slave, My Infidel’ [over Soedan] wordt gesproken van 200.000 mensen die tot slaaf zijn gemaakt. Helaas is er ook sprake van initiatieven om ze vrij te kopen. Helaas, want het is toch werkelijk absurd dat de daders niet met geweld aangepakt worden”.

En dan nog wat over dat ‘redden’ van Nederland. Wie op zo’n vraag een antwoord geeft dat uitgelegd kan worden als iets dat ook maar ruikt naar een beetje ‘ja’, zet zichzelf daarmee behoorlijk te kakken. Een deel van de problemen waar we vandaag de dag in het Westen mee te kampen hebben is echter de verdachtmaking van alles wat aan mannelijk optreden doet denken. Het Westen heeft meer behoefte aan het vergroten van het aantal mannen dat zich er niet voor schaamt ballen te hebben, dan aan één ‘redder’. Ik verwijs in dit verband graag naar een interview dat de Deense psycholoog Nicolai Sennel gaf aan het blog ‘The Gates of Vienna’, in Nederlandse vertaling te lezen bij ‘Het Vrije Volk’. Hij sprak van een gebeurtenis die bij hem een omslag in het denken te weeg bracht: “Tien jaar geleden hadden we een verschrikkelijk voorval in Denemarken. Vier jonge moslimjongens sleepten een meisje aan haar haren door de grootste winkelstraat in Kopenhagen en probeerden haar te verkrachten. Ondanks dat ze schreeuwde en het duidelijk was dat er iets vreselijks aan de hand was, greep niemand in. Stelt u zich dat eens voor: een meisje wordt door de meest drukke straat in Denemarken gesleept -waar veel omstanders zijn- en niemand doet iets om ze te stoppen.
Niet actief te proberen in te grijpen -zelfs als u daarmee het risico loopt dat uw collega's, vrienden of familie kritiek op u zullen gaan hebben, of dat u een blauw oog oploopt- is waarschijnlijk het ergste wat men het eigen zelfvertrouwen, persoonlijke ethiek en menselijke waardigheid kan aandoen. Als we alleen maar bereid zijn om zwakkeren te helpen als het zonder enig risico voor onszelf is, zijn wij een stelletje waardeloze lafaards.
”

Een van de meest optimistisch stemmende ervaringen vorig jaar was dan weer dat een vrouwelijke collega(docent) tegenover mij verzuchtte dat het voor jongens zo’n ontzettend slechte ontwikkeling is dat ze in het basisonderwijs bijna uitsluitend vrouwelijke leerkrachten tegen komen. Ik bedoel: dat vrouwen, en meer specifiek vrouwelijke docenten, dat zo benoemen: dat stemt hoopvol.

Vraag 7.
Toch even een persoonlijke vraag, als u die wilt beantwoorden. Heeft uw directe omgeving (gezin, familie, vrienden) u gesteund bij dit project?

Groenendijk:
Een dochter van vrienden, een nu 16-jarig meisje -ooit noemde ze mij “een soort tweede vader”- was zwaar geschokt toen ze alleen nog maar het onderwerp van mijn boek hoorde. Onmiddellijk werd het door media en school ingestampte vergif van de demonisering van Wilders en iedereen die zich geen fel tegenstander van hem noemt, actief. Inmiddels heeft ze zich er al wat mee verzoend, haar ouders slikken mijn argumenten niet voor zoete koek maar we kunnen er inmiddels goed over discussiëren.

In een dubbeluur met een vierde klas VWO op vrijdagmiddag liet ik eens, gevraagd naar de besteding van mijn vrije tijd, los dat ik een politiek boek aan het schrijven was. Nog voordat ik naam of thema genoemd had, was onmiddellijk de vraag of ik “voor of tegen Wilders” was. Toen ik antwoordde dat ik het met een aantal punten van Wilders eens was, steeg een beschaafd gejuich op.

Nadat hij het hele boek in hoog tempo had uitgelezen was mijn broer volledig ‘om’: hij is nu een zeer actieve verkoper van het boek. Wat betreur ik het lot van die arme meneer Wilders die niet alleen gehaat wordt door de links-extremisten, maar ook nog een rare oudere broer heeft die het nodig vond om bij Pauw & Witteman op gemaakt-beschaafde wijze zijn broer een mes in de rug te steken.


Vraag 8.

U hebt voor de voorkant van uw boek een foto gekozen van drie zwaar en in 't zwart ingepakte schoolmeisjes in Iran. De meisjes zitten op een bankje en zijn op de rug gefotografeerd. Waarom heeft u toch voor deze deprimerende foto van moslims uit een ver land gekozen? Is het niet Islamofobie
verontrustend genoeg dat in Nederland een zeer grote groep hoofddoekdragende meisjes en kinderen is ontstaan? Heeft u zelf meisjes in uw klas (gehad) die een hoofddoek dragen? Hoe gaat u daarmee om? Is het een onderwerp van discussie of zijn dit maar details in een veel groter geheel?


Groenendijk:
De belangrijkste reden om voor deze foto te kiezen was de ontdekking, de schokkende ontdekking, dat verschillende mensen uit mijn omgeving de foto helemaal niet afschrikwekkend vonden. In het boek zelf schrijf ik over de foto: “Valt deze strikte, uniforme vorm van sluiering überhaupt (nog) op? Ziet men dit als folklore of ziet men (ook) een link met bijvoorbeeld de gebeurtenissen in Iran -voorjaar 2008- toen alleen in de hoofdstad Teheran al tienduizenden vrouwen door de ‘religieuze politie’ werden opgepakt vanwege onvoldoende gesluierd in de openbare ruimte verkeren? Ziet men verband met het opmerkelijk grote aandeel van vrouwen in de protesten na de ‘verkiezingsoverwinning’ van Ahmadinejad in 2009?”. Ik wil mensen er dus mee aan het denken zetten.

De leerlingen met hoofddoek die ik op school tegenkom beschouw ik op de eerste plaats als kinderen, op de tweede plaats als leerlingen, op de derde plaats als meisjes en pas op een van de laatste plaatsen als gesluierde. Als maatschappelijk verschijnsel beschouw ik de hoofddoeken als een groot kwaad -ik ben er zeker voor wat betreft openbare scholen voorstander van dat het dragen ervan daar verboden wordt- maar ik doe mijn stinkende best om dit niet te laten doorschemeren in mijn omgang met deze individuele kinderen. De grootste moeite kost me dat bij een iets oudere would-be bekeerlinge, voor wie de mohammedaanse uniformering gewoon een vorm van provocatie is. Overigens is dat tegelijk een reden om er juist helemaal geen aandacht aan te besteden. Er zijn ook leerlingen die wel eens ergens een hakenkruis tekenen: daar moet je ook niet overspannen op reageren.

De voor dit onderwerp meest relevante passage uit mijn boek luidt: “De verbondenheid van mohammedaanse sluiering met de onderdrukking van tientallen miljoenen vrouwen elders in de wereld straalt ook af op de minder extreme vormen ervan. Natuurlijk is het gebrek aan solidariteit van die gesluierde vrouwen met de onderdrukte vrouwen hier en vooral elders in de wereld teleurstellend, maar een gebrek aan solidariteit met vrouwen in verre landen is bepaald niet uniek voor in het Westen woonachtige mohammedaanse vrouwen en meisjes”.

Vraag 9.
Wat zijn nu uw plannen? Gaat u een nieuw boek schrijven, lezingen geven of op uitnodiging meedoen aan discussiepanels?

Groenendijk:
Plannen genoeg, maar die hangen natuurlijk sterk af van de ontvangst van dit boek. Overdag heb ik trouwens nog een voltijdbaan. Wel eens zwaar, de ene les veel leuker dan de andere, zelfs met dezelfde klas, maar regelmatig toch wel bevredigend en in ieder geval elke dag anders en elke dag leerzaam. Het gerucht dat werken in het onderwijs je geestelijk jong houdt, klopt echt.

------------
Een voorpublicatie uit het boek Islamofobie? Een nuchter antwoord kunt u hierr lezen en hierr kunt u het boek bestellen. Reageren kan ook op islamafobie.nl .
Enkele publicaties van Frans Groenendijk uit het archief van Hoeiboei: Israël is niet veilig voordat het islamofascisme overwonnen is en Een top-NSB-er als getuige tegen de jodenstaat.

Ontsnapt aan de Muzelman

Kijken naar de spannende avonturen die anderen beleven zonder zelf enig gevaar te lopen, schenkt de mensen altijd veel vermaak. In Mozarts tijd was dat niet anders.

De opera ontstond omstreeks 1600 in Italië en ging de eerste honderdvijftig jaar voornamelijk over mythologische en bijbelse onderwerpen, of over koningen en hun problemen. Tegen het eind van de 18e eeuw worden de onderwerpen humanistischer, zou je kunnen zeggen. Dat is natuurlijk niet zo vreemd, want je zit dan midden in de Verlichting en in de opmaat naar de Franse Revolutie, als gewone mensen een woordje mee willen gaan spreken en de politiek zo langzamerhand niet meer tot het exclusieve domein van koningen, adellijke lieden en de kerk behoort.

Mozart heeft nog wel opera's geschreven die een min of meer mythologisch onderwerp of een koningsdrama behandelen, zoals: Idomeneo rè di Creta, Mitridate rè di Ponto, Il rè pastore, Thamos König in Aegypten, La clemenza di Tito. Maar ook tal van opera's waarin de belevenissen van gewone mensen - nu ja, opera-mensen - aan bod komen: La finta giardiniera, Die Entführung aus dem Serail, Le nozze di Figaro, Don Giovanni, Così fan tutte en tenslotte zijn laatste, die eigenlijk een sprookjesopera is, Die Zauberflöte.

In Mozarts geboortehuis in Salzburg vult tegenwoordig het complete werk van de kleine man een hele boekenkast, de vrucht van zo'n vijfentwintig jaar muziekmaken. Dat zijn heel veel noten. Dat was ook het enige commentaar, dat keizer Jozef II gaf na de eerste uitvoering van Die Entführung aus dem Serail op 16 juli 1782: “Het zijn heel veel noten, Herr Mozart!” Waarop de componist geantwoord zou hebben: “Maar geen enkele noot teveel, Majesteit.”

Met Die Entführung zijn we waar we wezen moeten, want daarmee hebben we een eigentijdse problematiek te pakken, als je 't zo wilt zien. Het verhaal is simpel, de belevenissen van de personages daarentegen zullen toeschouwers uit Mozarts tijd wel enige spanning en sensatie hebben geboden. 't Leverde hem trouwens - welverdiend - al na korte tijd een aardig inkomen op, maar dat is hier niet aan de orde.

De opera begint met de scene waarin de jongeman Belmonte in de tuin rond het paleis van Bassa (pasja) Selim sluipt, terwijl de lijfwacht van de pasja uiteraard de boel in de gaten houdt. Dus opgepast... Met dit soort scenes, maar dan in spionage-, mafia- en oorlogsfilms, zijn we nog altijd vertrouwd.

Waarom sluipt ie daar rond, wat moet ie daar? Misdaad en liefde hebben hem daar gebracht. Het schip waarmee Belmonte en zijn metgezellen over de Middellandse Zee voer, is door zeerovers overvallen en die hebben zijn verloofde Konstanze, haar kamenierster Blondje en zijn bediende Pedrillo verkocht aan de pasja. Zelf is Belmonte aan dat lot ontkomen en nu wil hij proberen zijn metgezellen te bevrijden uit deze gevangenschap. Een Rambo, Schwarzenegger en James Bond avant la lettre!?

Tijdens dat rondsluipen loopt hij Osmin, de bewaker van Selims harem, tegen het kolossale lijf.

Merkwaardig genoeg ontspint zich dan een gesprek tussen beiden, zonder dat Osmin een poging doet Belmonte in de kraag te grijpen. Maar goed, Belmonte vraagt Osmin of hij Pedrillo te spreken kan krijgen. Een hedendaagse aanpak zou een en ander wat gewelddadiger afschilderen.

Om kort te gaan, door zich als architect voor te doen weet Belmonte met de hulp van Pedrillo in het paleis van pasja Selim te komen. Dat “architect” is natuurlijk al een aardig detail, daar in die tijd en ook later in het Osmaanse rijk gretig gebruik werd gemaakt van de technische en wetenschappelijke verworvenheden van het westen en dan vooral op militair gebied.

Selim is in liefde ontvlamt voor Konstanze en hij wil haar, uiteraard, in zijn harem opnemen. Maar Konstanze voelt daar (nog?) niets voor, waarop Selim reageert met de uitspraak, dat als de liefde nog niet wederzijds is, hij haar met rust zal laten.

Het plan om de drie aan de greep van Selim te ontrukken, door namelijk Osmin met wijn (!) dronken te maken en in slaap te laten vallen, mislukt omdat Osmin toch nog niet helemaal verdoofd is en alarm slaat als ze de poging wagen te ontvluchten.

Het viertal wordt voor Selim gevoerd, het ergste staat hen dan te wachten. Tijdens hun ondervraging blijkt dat Belmonte de zoon is van een man die de aartsvijand van Selim is.

De vier westerlingen komen uit Spanje en Selim is van oorsprong ook Spanjaard en een tot de islam bekeerde Christen. Hoe eigentijds kun je 't hebben! Belmontes vader heeft hem uit het toenmaals door Spanje bezette Algerijnse Oran - er zit ook heel veel echte, interessante historie in de opera verpakt - verjaagd en schandelijk behandeld.

Dus hun vonnis lijkt daarmee wel getekend. Maar wat gebeurt er nu? Selim neemt geen wraak, maar strijkt de hand over het hart en laat hen vrij. Dit is het toppunt van wijsheid, redelijkheid , tolerantie en verzoeningsgezindheid, zo wordt het in de opera gepresenteerd. Dat is niet zo vreemd, want het is de tijd van de Verlichting en de beginselen van de Franse Revolutie, vrijheid, gelijkheid en broederschap kondigen zich onder andere in deze opera al aan. De Verlichtingsidealen projecteerde men dus kennelijk en graag ook op “de anderen”.

In zijn “Muzelman in pruikentijd”* richt Martin van Amerongen - wiens spitse, humoristische geest en veelbelezenheid we helaas al enige jaren moeten missen -, zich op een aantal thema's in Die Entführung die een eigentijdse relevantie hebben gekregen. Die hij echter politiek-correct benadert.

Hij zet zijn vertoog over de Ontvoering krachtig in: “Wolfgang Amadeus Mozarts artistieke bekwaamheden waren zo universeel dat hij zelfs in staat was om zijn vooroordelen op muziek te zetten, in dit geval de in zijn tijd gangbare vooroordelen jegens de bewoners van de Oriënt. Dat is artistiek gezien een prestatie van formaat.

Of de bewering, dat het op muziek zetten van vooroordelen artistiek een prestatie van formaat is, juist is, is hier niet van belang. Interessanter is de vraag wat Van Amerongen met die “vooroordelen” bedoelt en of de verdere vragen die daar bij oprijzen van actueel belang zijn.

Hij geeft natuurlijk eerst een korte schets van de plot van de opera en de climax, de nobele daad van de pasja, het vrijlaten van het viertal. Van Amerongen sluit dan zijn weergave van de plot af met de volgende constatering: “Kwartetgewijze zingen zij zijn lof, behalve Osmin, die bevangen wordt door de meest authentieke driftaanval uit de muziekgeschiedenis, een driftaanval die tevens een catalogus bevat van de lijfstraffen waarmee men in die dagen in de Oost recht en orde placht te handhaven.” Waarna hij de tekst van Osmins woede-aria laat volgen.

Erst geköpft,

dann gehangen,

dann gespießt

auf heiße Stangen,

dann verbrannt,

dann gebunden,

und getaucht,

zuletzt geschunden...

Deze aria is inderdaad een schitterende weergave van een ongetemde woedeaanval, behalve dan dat deze door Mozarts muziek toch gestileerd, ofwel in banen geleid wordt. Mozart was niet voor niets een echte theaterman, die van wanten wist in het weergeven van emoties.

Na deze uiteenzetting vertelt Van Amerongen nog iets over een enscenering van deze opera tijdens de Salzburger Festspiele van 1997 door een Palestijnse regisseur, die je het ergste - zoals bij veel “eigentijdse” ensceneringen - doet vrezen, zeker daar het een Palestijnse regisseur betrof.

Maar het gaat hier niet om de kwaliteit van de muziek en de ensceneringen, maar om die “vooroordelen”.

Is de weergave van die lijfstraffen die Osmin voor de geest zweven een vooroordeel? Van Amerongen stelt zelf dat deze in die dagen in de Oost gebruikelijk waren. Nu kon men in Mozarts dagen en nog daarna in het Westen wat dat betreft er ook wel wat van. Maar in Mozarts tijd komt er toch een ontwikkeling op gang die dergelijke archaïsche wreedheden uit de westerse cultuur tracht te elimineren en Mozarts levensbeschouwing, zoals bijvoorbeeld neergelegd in Die Zauberflöte, is daar zelf een voorbeeld van. Je zou zelfs kunnen zeggen, dat het 20e-eeuwse nazisme mede de barbaarse opstand tegen deze “verweking” belichaamde. Maar dit terzijde.

We zouden toch zo langzamerhand allemaal moeten weten, dat het lijstje van lijfstraffen van Osmin , of equivalenten daarvan, geheel overeenstemmen met dat wat de islam voorschrijft met betrekking tot de, volgens de islam, daarmee correlerende misstappen die stervelingen kunnen begaan.

De beschuldiging van “vooroordeel” is hier niet op z'n plaats, integendeel, Osmins woede-aria (het korte lontje!) geeft de feiten weer. Met diezelfde feiten en hun achtergronden worden we weer geconfronteerd.

Dan die zeeroverij en de daarmee samenhangende slavenhandel, waarmee eigenlijk het hele verhaal begint. In Mozarts tijd was die nog steeds een feit. De westerse Atlantische slavenhandel eindigde omstreeks 1800; in Engeland werd kort daarna slavernij verboden en een 50, 60 jaar later - laat, maar 't is niet anders - in de rest van de westerse wereld. In het Westen worden deze zwarte bladzijden van de geschiedenis erkend en diepgaand onderzocht. Hoe anders is dat in de islamitische wereld waarin “zwarte bladzijden” nooit erkend worden.

De polygamie en “O, hoe amusant, interessant en opwindend is zo'n harem toch!”. Mozart spiegelt ons een luchtige weergave voor van een fenomeen dat tegenwoordig in onze contreien harde werkelijkheid dreigt te worden, als er geen paal en perk aan gesteld wordt.

Nog iets over Selims grootmoedigheid, daar zit een luchtje aan. Weliswaar doorbreekt hij met zijn nobele daad de vicieuze cirkel van de archaïsche wraak en weerwraak, maar tegelijk is zijn wraak “zoeter dan baklava”, omdat Belmonte en Konstanze bij hem voorgoed in het krijt staan.

Dat is nu precies een element van de zich in de moderniteit ontwikkelende burgerlijke moraal, zoals deze door Engelse moraalfilosofen uit de 17e en 18e eeuw werd geëxpliciteerd. Kort samengevat: men handelt moreel, ofwel men doet goed, omdat dat de moreel handelende, zoals dat tegenwoordig heet, een “goed gevoel” geeft.

Daar komt dan in Selims geval nog dat goeie gevoel bij van het “in het krijt staan”. De morele daad, die door het Verlichtingsdenken ten onrechte op deze “Oosterling” wordt geprojecteerd, ten onrechte want wraak en haat zitten ingebakken in de islam, wordt bovendien nog eens met dit element van de burgerlijke moraal gecorrumpeerd. Dat zijn nu vooroordelen die Mozart en zijn librettist, J. Gottlieb Stephanie, beter hadden kunnen laten. Maar ja, dan was het happy-end niet zo ontroerend en stichtelijk geweest.

Tenslotte het volgende over elementen in Mozarts muziek die ook een soort vooroordeel zouden vertonen. In Mozarts tijd en ook nog wat later bij Beethoven bijvoorbeeld, werd Turkse muziek gelijkgesteld aan de muziek van de Janitsaren. Dat was de Turkse muziek waarmee men soms in aanraking kwam. Het fenomeen van de Janitsaren, de tot vechtmachines opgeleide christenjongens uit de Balkan, waarvoor zonder meer gold “Was schert mich Weib, was schert mich Kind” - zoals de napoleontische “Zwei Grenadiere” zingen in Schumanns-Heines lied -, daar ze niet mochten trouwen en geen kinderen mochten krijgen, dus geen enkele persoonlijke binding meer hadden, is hier niet direct van belang. Wel hun instrumentarium en de daarmee tot klinken gebrachte muziek, die de Oostenrijkers zo fascineerde, omdat ze tegelijk ook angst aanjoeg. Dat instrumentarium bestond uit de zurna - een soort hobo -, met z'n schelklinkende, snerpende toon, uiteraard uit de Turkse trom en uit bellen en bekkens.

Als zo een colonne met z'n vele zurna's, trommen, bellen en bekkens aan kwam marcheren - wat eventueel nog met een dreigend zingen gepaard ging -, dan was dat geen geruststellend geluid. De beroemde “Turkse mars” uit de pianosonate in A grote terts, KV 331 ** was een zachtmoedige stilering daarvan. De arpeggio's vanaf maat 25 imiteren het tromgeroffel en de melodie, tja, die doet niet anders dan op een milde, beetje wilde, manier het snerpen van de zurna's weergeven.

Van Amerongen schrijft het volgende over het “turksige” van Mozarts Entführung-muziek:

“Nu had Mozart net als zijn tijd- en landgenoten niet het minste besef wat 'Turkse muziek” is. Dus (?) greep hij naar de instrumentale rariora, de piccolo, de bekkens en de grote trom, elementaire instrumenten die onderstreepten dat het maar om een primitief volkje ging. Wist hij veel, met zijn zogenaamd Turkse muziek. De echte authentiek Turkse muziek was in die tijd bij lange niet tot het Westen doorgedrongen.

Nee, het wachten was nog op westerse (!) etnomusicologen en zo iemand als de componist Béla Bartók die daarvoor zorg droegen. Maar wat merkte volgens Van Amerongen een hedendaagse “representant van de Turkse intelligentsia na een voorstelling van de Entführung op”: 'Alles goed en wel, maar het klonk geheel Europees.'

De rijke Turkse volksmuziek komt natuurlijk niet aan bod, maar wel, op Mozarts manier, de janitsaren-muziek. Maar misschien wilde de Turkse gast, dat liever niet horen.

Dat brengt ons tenslotte bij de verdediger van de oriëntalisten, de oriëntalisten die volgens de onbetreurde Edward Said het Oosten met vooroordelen weergaven en nog altijd weergeven.

In zijn Defending the West,*** dat in zijn geheel een vernietigend oordeel uitspreekt over Edward Said's desastreuze boek Orientalism, citeert Ibn Warraq in verband met Mozarts Entführung de loftuitingen van een tweetal auteurs, Roger Scrutton en Brigid Brophy: “Western art has continuously ventured into spiritual territory ...and has done so with generosity, tolerance, affection, and a noble vision of humanity. Literature and music, as much as painting and architecture, has acknowledged other civilizations and other peoples, embraced them as equals, and sometimes treated them as superior souls from whom the West could learn.”

Van Brophy's uitvoerige ode aan het handelen van pasja Selim - dus de wijze waarop deze Oosterling zich op moreel voortreffelijke wijze onderscheidt van het “barbaarse” Westen - kan hier maar een klein beetje worden weergegeven. Bijvoorbeeld: “... it is the Turk who is capable of learning the lesson of non-vengeance.” En: “Pedrillo's narrative ballad has evoked the Crusades (we zijn hier helemaal bij de tijd!) to the advantage not of Christian chivalry but of Selim's historical precursor in nobility, Saladin.” Hier zijn alarmerende uitroeptekens op hun plaats.

Het merkwaardige en tegenstrijdige in Warraq's argumentatie, bij monde van deze twee auteurs, is dat hij enerzijds wil laten zien dat de westerse oriëntalisten en kunstenaars in hun benadering van het Oosten, van zijn mensen en culturen, okee waren, maar dat hij anderzijds - zeker als afvallige islamiet - de islam en zijn negatieve, morele invloed op zijn aanhangers verwerpelijk vindt.

Dat wil dus zeggen, dat hij de positieve vooroordelen, vooral met betrekking tot de islam, want we hebben 't hier toch over de Entführung, meeneemt in zijn verdediging van het Westen, in de trant van “Kijk, ze menen 't helemaal niet slecht met het Oosten, integendeel”, maar tegelijk de islam, terecht, volstrekt verwerpt.

De westerse geest heeft belangstelling voor van alles (gehad), al zaten daar zeker heel wat negatieve kanten aan. Maar belangstelling met alles erop en eraan is toch heel wat positiever dan de onverschilligheid, om 't maar zacht te zeggen, die de islam (de Muzelman?) tegenover andere culturen heeft. Behalve als die materiële voordelen bieden. (Over het kapitalisme - dat niet vereenzelvigd moet worden met de positieve beginselen van de vrije markt en waarop het parasiteert - hebben we 't nog wel es)

De vraag is: Hoe ontsnappen we aan de cultuur van de Muzelman en haar apologeten?

Erik Bink

* In: Mozart; De Engel van Salzburg, Amsterdam, 2006.

** Uit 1783, dus een jaar na de Entführung.

*** Defending the West; A Critique of Edward Said's Orientalism; New York, 2007.

Klachtenbrief met verbetersuggesties

Open brief

Aan: Jongerencommissie moskee Badr
Willem Leevendstraat 7
Bos & Lommer

Aan: Raad van Marokkaanse Moskeeën Noord-Holland
Postbus 94384
Amsterdam

Onderwerp: klachtenbrief met verbetersuggesties

20 februari 2010

Geachte jongerencommissie, geacht bestuur RVM,


Met belangstelling heb ik eergisteren het verkiezingsdebat gevolgd in de Badr-moskee. Het thema was de positie van jongeren in Amsterdam en de maatschappelijke rol van moskeeën. Dit verkiezingsdebat maakt deel uit van het project ‘Voorkomen is beter dan genezen’, waarmee de RVM, zo lees ik op de website van het ACB-Kenniscentrum, islamitische radicalisering van moslimjongeren hoopt tegen te gaan. De moskeeën willen ruimte geven aan ‘openheid’ en ‘ontmoeting’ tussen moslims, andere godsdiensten en ‘seculiere stromingen’.

Mijn grote waardering voor dit project en ook voor de organisatoren van de jongerencommissie. Ik werd gastvrij ontvangen door tal van vriendelijke, attente en beleefde Marokkaanse heren. Toch heb ik een klacht over één onderdeel van de organisatie: ik moest mijn schoenen uitdoen als ik de zaal in wilde waar het debat werd gehouden. Ook mocht je niet geschoeid in het zijzaaltje waar werd nagepraat onder het genot van een glas Marokkaanse thee en lekkere hapjes.

Het verzoek om de schoenen uit te trekken in een moskee is in feite een verzoek om zich te houden aan de sharia, en wel het onderdeel al-ibadat, de aanbidding van Allah, in het bijzonder de reinheidsvoorschriften die moeten worden gevolgd bij de salaat, een van de vijf zuilen van uw godsdienst. Moslims voeren uit eerbied voor Allah deze reinheidsrituelen uit voordat zij de dagelijkse gebeden opzeggen, al dan niet in de moskee. Vandaar de woedoe-ruimte en de schoenenkast. Dat begrijp ik en respecteer ik.

Een gebedsdienst waarvoor niet-moslims worden uitgenodigd, is een ander verhaal, maar als de moskee een avond organiseert met een openbaar, niet-religieus karakter, gelden de Nederlandse etiquetteregels. Zo doe ik mijn schoenen uit voordat ik bij mijn Marokkaanse buren binnenloop omdat dit hun huisregel is en zo kleed ik mij een beetje deftig als ik naar het Concertgebouw ga.

Echter, ik weiger uit principe om mijn schoenen uit te trekken op een verkiezingsavond. Een politiek debat heeft in Nederland, waar de scheiding tussen kerk en staat geldt, een neutraal karakter. Dankzij dit principe bestaat de godsdienstvrijheid en kunnen verschillende geloofsgroepen met elkaar samenleven, zoals de RVM zelf uiteenzet op haar website.

Ik zal een vergelijking maken. Regelmatig bezoek ik de protestantse Westerkerk, terwijl ik niet gelovig ben. Ik kom voor de cantates van Bach die tijdens de kerkdiensten worden vertolkt. Welnu, deze christelijke kerk eist behalve de gangbare conventies helemaal niets speciaals of religieus van mij. Ik zit gewoon tussen de gelovigen en samen genieten wij van de prachtige muziek. Zo eenvoudig kan het zijn om ‘openheid’ en ‘ontmoeting’ mogelijk te maken tussen gelovigen en ongelovigen!

Precies zo vind ik ook dat de Badr-moskee niets speciaals of religieus van mij mag eisen als ik naar een verkiezingsdebat in hun gebouw kom. Het opleggen van een islamitische reinheidsregel aan medeburgers die Allah niet erkennen, staat een open ontmoeting in de weg.

Sterker nog, ik vind eigenlijk dat u ook moslims zou moeten toestaan om hun schoenen aan te houden. Voor hun was deze verkiezingsavond toch even openbaar? Zo niet, heeft u een probleem, dan zou er sprake zijn van islamisering via de kanalen van de democratische rechtsstaat. En dat is toch niet wat u wilt? In feite fungeerde de Badr-moskee als een zalencentrum. In de Bijlmer worden op dezelfde manier verkiezingsbijeenkomsten gehouden in de Nieuwe Stad, een christelijke kerk voor Afrikanen, Antillianen en Nederlanders.

Overigens hoorde ik gisteren ook twee (seculiere?) Marokkaanse mannen mopperen dat de schoenen uit moesten. De niet-moslimse bezoekers deden dit heel gedwee wel. Ik begrijp hier niets van, het doet me denken aan het boekje van de Duits-Pools-Joodse journalist Henryk Broder, Hurra, wir kapitulieren! Von der Lust am Einknicken (hoera, we kapituleren! over de neiging [van niet-moslims] om door de knieën te gaan [voor opdringerige islamisering]).

Het zal u duidelijk zijn dat ik van mening ben dat u de Nederlandse beleefdheidsregels schendt als u van mij eist dat ik me aan uw religieuze voorschriften houd op een avond met een principieel seculier karakter. Ik weet dat u niet de bedoeling had om onbeleefd te zijn, toch vraag ik u vriendelijk hierbij stil te staan.

De organisatoren met wie ik dit eergisteren besprak, ontkenden dat het met de sharia te maken had; volgens hen was het slechts een ‘huisregel’. Dat vond ik een beetje een flauwe reactie en niet erg geloofwaardig. Laten wij eerlijk zijn tegen elkaar en het beestje bij de naam noemen! U onderwerpt zich aan Allah, kom daar dan voor uit. (Maar misschien is dit wel een voorbeeld van de pijnlijke spraakverwarring die wel vaker optreedt in de dialoog tussen moslims en andersdenkenden. Moslims hebben een andere opvatting van waar het in godsdienst om draait dan christelijke en seculiere westerlingen. Simpel gezegd: alles is islam, er is geen scheiding tussen de islam en het dagelijks leven. Voor Nederlanders is dit zoals u weet onwerkbaar. En we leven allen in Nederland.)

Hoe dan ook. In de onderwerpsregel van mijn klachtenbrief kondig ik aan dat ik een suggestie voor verbetering zal geven. Ik stel voor dat u volgende keer afdekfolie of stucloop (grote rollen bedrukt, waterdicht karton, bijvoorbeeld appelsientjeverpakkingen, verkrijgbaar bij de bouwmarkt) op de vloer legt als u weer een openbare avond houdt. Dan kunnen de bezoekers, zowel de moslims als de niet-moslims, gewoon hun schoenen aanhouden. De Al-Kabirmoskee aan de Weesperzijde, ook lid van de RVM, doet het ook zo.

Rest mij nog een suggestie voor de volgende keer dat u weer een jongerendebat organiseert. Eergisteren telde de debatvoorzitter ongeveer acht jongeren in de zaal, later kwamen daar nog drie jongeren bij. Maar zij hebben helemaal niets gezegd. De ‘volwassenen’ praatten over de hoofden van de jongeren heen over hun positie. Ik vond dat raar.
Bent u het niet met mij eens dat het debat veel interessanter zou zijn als de microfoonmedewerkers vooral de jongeren het woord hadden gegeven? Hiermee doen de jongeren ook belangrijke democratische vaardigheden op: spreken in het openbaar, je mening onder woorden brengen, in dialoog gaan met mensen die een andere opvatting hebben. Wat mij ook verbaasde, is dat de zaal vol zat met Marokkaanse mannen. Nauwelijks vrouwen. Trouwens ook geen Turkse moslims. Ook zag ik geen meisjes; de elf jongeren waren allemaal jongens. Hoe kan dat? Hier ligt een schone maatschappelijke taak voor de Badr-moskee. Hier is nog een wereld te winnen.

Tot slot hoop ik dat u iets aan mijn brief heeft. Zelf zie ik deze klachtenbrief-met-suggesties als een bijdrage aan een van de doelstellingen van het ‘Voorkomen is beter’-project, zijnde een open gedachtenwisseling over de Nederlandse islam en een dialoog met andere levensovertuigingen. U mag deze brief gebruiken voor de website die voor het project wordt ontwikkeld.

In afwachting van uw antwoord,

Met vriendelijke groet,

Bernadette de Wit

De komende Kamerverkiezingen gaan over Dichtbyistan

Pvdagroot_3

Zie zo. Dat was even schrikken bij het wakker worden. Kabinet gevallen! Herhalingen van interviewtjes met ministers die niet wilden zwartepieten, maar tussen de regels door begonnen met zwartepieten. De leider van het vertrokken smaldeel op een persconferentie, geflankeerd door twee wethouder Hekkings.

Zal de regisseur van vier mislukte voorstellingen de consequenties trekken en het politieke theater door een zijdeur verlaten? Of durft het CDA het aan om toch weer met Jan Peter Balkenende de verkiezingen in te gaan? Lukt het Wouter Bos om in de komende drie maanden het PvdA uit de degradatiezone te halen?

Het zijn vragen, waar op dit moment niemand een zinnig antwoord op weet. Het antwoord is aan de kiezers.

De Nederlandse politiek is de laatste jaren net zo grillig als het Nederlandse weer. Daarom houd ik het op dit moment bij enkele losse opmerkingen, die over een paar weken al weer achterhaald kunnen zijn.

Allereerst: Uruzgan is de aanleiding voor deze kabinetscrisis, maar over drie maanden gaat het al lang niet meer over een afgebroken militaire missie in Afghanistan. Dat land is voor de meeste Nederlanders niet meer dan Verweggistan. De kiezer zal zich bij zijn stem laten leiden door de toestand in Dichtbyistan. Daarbij doel ik niet alleen op Gouda en Culemborg en de vele prachtwijken. In de campagne zal het ook gaan over kwesties als hypotheekrente, ziektekosten, AOW, inzakkende euro, bankencrisis en werkloosheid. Tegen die tijd is Uruzgan ver achter de bergen verdwenen.

Bij de verkiezingen van 2006 probeerden de drie gevestigde partijen de thema’s islam, immigratie en integratie buiten de campagne te houden. Met de PVV op negen zetels in de echte Kamer en 25 zetels in het virtuele parlement van Maurice de Hond is dat nu niet meer mogelijk.

Dat is vervelend nieuws voor het CDA, dat tot enkele maanden geleden een vrijwel onbedreigde positie had in de peilingen. Balkenende kon rustig achterover leunen, terwijl de PvdA van Bos in een deplorabele staat verkeerde en de VVD veel van haar aanhang zag vertrekken richting Geert Wilders. De malaise bij de VVD was zo groot dat zelfs de positie van de fractievoorzitter leek te wankelen.

Mark Rutte echter is back in town. Het opvallende is dat zijn partij is opgekrabbeld zonder dat Wilders al te veel inlevert. Dat betekent dat het liberale herstel vooral ten koste van het CDA gaat.

Als Rutte de opwaartse lijn vasthoudt, zit de mogelijke winst bij diverse kiezersgroepen. Ontevreden CDA-aanhangers die bang zijn dat hun partij opnieuw in zee zal gaan met de PvdA. Liberalen en vrijdenkers die geen zin meer hebben in de betutteldrift van de ChristenUnie. Ontheemde seculiere linkse kiezers die zich zorgen maken over thema’s als islamisering en vrijheid van meningsuiting - zaken die ze niet toevertrouwen aan de probleemontkenners van D66.

In 2002 fungeerde oppositiepartij CDA als vluchtheuvel voor kiezers, die genoeg hadden van Paars maar een stem op een LPF zonder Pim Fortuyn niet aandurfden. In 2010 verkeert de VVD in een soortgelijke positie als het CDA toen. De liberalen zijn niet besmet door Balkenende-IV en kunnen als ‘redelijk alternatief’ fungeren voor kiezers, voor wie koranverbod en kopvoddentax een brug te ver zijn.

De PvdA heeft al veel klappen gehad in de peilingen. Dieper dan 15 zetels kan de partij bijna niet zinken, zou je haast denken. Bovendien heeft Wouter Bos het voordeel, dat zijn meest directe concurrent, de SP, met Agnes Kant geen aansprekende opvolger heeft gevonden voor Jan Marijnissen. Hier valt heel wat winst te halen voor de PvdA en GroenLinks. Van alle linkse partijen is de SP overigens het minst multiculti en het meest seculier, maar in dat geval krijg je wel de Harry van Bommels en Anja Meulenbelts erbij als ongewenste rentepunten.

Op korte termijn zit er dus vooruitgang in voor de PvdA. De partij is als ‘breker’ uit het kabinet gestapt, maar dat zal voor veel linkse kiezers juist een opluchting zijn. De nederlaag bij de raadsverkiezingen zal iets minder dramatisch zijn dan voorspeld. En ook bij de Kamerverkiezingen zal de schade misschien meevallen, wat door de partij en door de media natuurlijk als een grote overwinning zal worden gevierd.

CDA en VVD zullen echter alles doen om een nieuwe regering met de PvdA te voorkomen. Dat worden dus weer magere jaren in de oppositie.

Misschien ligt daar juist een gouden kans voor een hervorming op de langere termijn. In de oppositie kan de PvdA op zoek gaan naar haar seculiere wortels, zich bevrijden uit de houdgreep van conservatieve religieuze krachten en zich ontdoen van het verstikkende betuttelracisme jegens ’zielige’ minderheden. Belangrijker nog is dat de partij zichzelf verlost van haar ergste kwaal: arrogantie - de irritante overtuiging dat alleen de PvdA weet wat goed is voor de burgers van Nederland.

Nog één ding. In de komende verkiezingscampagne zal alles uit de kast worden gehaald om Geert Wilders en zijn PVV te demoniseren en neer te zetten als een gecombineerde reïncarnatie van Mussert, Hitler en Mussolini. Pauw & Witteman zullen druk op zoek gaan naar imitators van Herman van Veen en Peter R. de Vries. De ervaring leert dat Wilders alleen maar sterker wordt van dit soort slecht onderbouwde aanvallen.

De enige manier om de PVV te verslaan is het serieus nemen van de door Wilders aangekaarte problemen.

Carel Brendel

Twee plus twee is vier-en-een-half (7)

Prof. dr mr Maurits Berger (Universiteit van leiden): "De sharia en het Nederlands recht zijn voor meer dan 95% aan elkaar gelijk".

-------------------------------------------------------------------------
Kuala Lumpur, Malaysia (CNN) -- For the first time, Malaysian authorities have caned three Muslim women under Islamic law for acts of adultery, the Malaysian national news agency Bernama said.

Bron: CNN en Welingelichte Kringen.

Muts






(ingezonden) Uitgelicht: Jeltje van Nieuwenhoven (PvdA) in De Pers, 18.2.2010 over de hoofddoek (dubbelinterview met Sietse Fritsma (pvc)

"Muts

Dan is er nog zo’n kwestie waar de koppige Friezen – Fritsma komt uit Franeker en Van Nieuwenhoven uit Noordwolde – het maar niet eens over kunnen worden. In het verkiezingsprogramma van de Partij voor de Vrijheid staat dat vrouwen in publieke functies geen hoofddoeken meer mogen dragen. Van Nieuwenhoven: ‘Ik zou wel eens willen weten wat Sietse Fritsma tegen mijn grootmoeder, uit Friesland afkomstig, gezegd zou hebben. Zij heeft haar hele leven altijd een muts gedragen. Ze had drie soorten mutsen: binnenmutsen, buitenmutsen en een slaapmuts. Ik heb mijn grootmoeder nooit zonder muts gezien.’

Geëmotioneerd vervolgt ze: ‘Die muts is maar één keer af geweest, in de Tweede Wereldoorlog voor de foto op haar persoonsbewijs. Mijn grootmoeder kreeg jaren later nóg tranen in de ogen als ze moest vertellen dat ze in het openbaar, voor vreemde mannen, haar muts af had moeten doen. Ik vind dat je je net zo vrij moeten kunnen voelen zonder muts, laat daar geen misverstand over bestaan, maar ga mij nou niet vertellen dat er geen vooruitgang is in de samenleving.’

Stellig en emotieloos pareert Fritsma haar betoog. ‘Hier blijkt de naïviteit van mevrouw Van Nieuwenhoven maar weer uit. Anders dan een muts is een hoofddoek een symbool van de islamitische ideologie waarin de vrouw minderwaardig is aan de man. Simpel zat. Hier is geen discussie over mogelijk: de hoofddoek is een symbool van vrouwenonderdrukking.’

Van Nieuwenhoven, de eerste vrouwelijke Kamervoorzitter in de Nederlandse geschiedenis, volhardt: ‘Mijn grootvader hoefde ook geen muts op toen hij ging trouwen, dat was alleen voor vrouwen. Géén van de vijf dochters van mijn grootmoeder heeft ooit een muts gedragen. Zij moesten al lachen bij het idee dat ze een muts op zouden moeten doen.’

De PvdA-lijsttrekker legt uit dat haar partij gelooft in ‘het leren van de tijd’. ‘Er is altijd emancipatie.’ Soms gaat dat, zoals bij haar familie, in één generatie. En soms zijn daar drie of vier generaties voor nodig. ‘Ik ben nog nooit iemand tegengekomen met een hoofddoek die zich onderdrukt voelde. In één van de debatten voor de verkiezingen voerde deze week nog een vrouw met een hoofddoek het woord die advocate is. Een zelfstandige, geëmancipeerde vrouw die helemaal geen man nodig heeft om te weten wat ze wil. Accepteer die hoofddoek gewoon. Of kiest u ervoor om, net zoals de Duitsers, die muts van mijn grootmoeder te weigeren?’ "

Volledige dubbelinterview hierr.

Heeft u ook voorbeelden van Jip-en-Janneke-uitspraken/berichten/verslaggeving/foto's gehoord/gezien op radio, televisie of andere media? Stuur deze, met bronvermelding, dan naar hoeiboei@gmail.com .

Voor de islam-experts

Tekst_3

Bij de foto: De man rechts draagt een wit bord met daarop in het Arabisch: 'laa lil irhaab' ('Nee tegen het terrorisme'). Dit is het zelfde Arabische woord dat als 'terroriseren' in het korancitaat van de film Fitna voorkomt. Klik op de foto voor de uitvergroting!


Bovenaan geplaatst,
speciaal voor professor dr. Fred Leemhuis, arabist, emeritus hoogleraar Universiteit Groningen, vertaler De Koran, Unieboek 2007, en de andere islam-experts die Geert Wilders ervan beschuldigen koranteksten (in zijn film Fitna) eenzijdig uit te leggen en/of te manipuleren. Zie de Open Brief in de Volkskrant van 4 februari jl.: 'Wilders manipuleert koranteksten'.

'Soera 8: 60-61, vertaling Leemhuis: “En maakt tegen hen zo goed als jullie kunnen de bewapening en de inzetbare paarden gereed om Gods vijand en jullie vijand daarmee vrees aan te jagen en afgezien van hen anderen die jullie niet kennen, maar die God kent. En wat jullie ook als bijdrage op Gods weg geven, het zal jullie worden vergoed en jullie zal geen onrecht worden aangedaan. En als zij geneigd zijn tot vrede, wees daar dan ook toe geneigd en stel je vertrouwen op God;”

In de zonder bronvermelding weergegeven vertaling van Wilders staat terroriseren d.w.z. ‘het stelselmatig schrik inboezemen door gewelddaden; door schrikaanjaging en geweld beheersen’. Leemhuis vertaalt ‘vrees aan jagen’ Dat is vergelijkbaar met afschrikken.'

Alexander Pechtold gaat op stemmenjacht in de moskee

Dat waren nog eens dagen, kort na de geboorte van D66. Een van de gangmakers van de partij, die in 1966 werd opgericht door jeugdige vernieuwers van de politiek, was de liberale ex-katholiek Hans Gruijters. De Amsterdamse caféhouder verkondigde luidkeels dat hij altijd zijn vingers natelde als hij een christendemocraat een hand had gegeven. Christelijk politiek bestond voor hem uit ‘2000 jaar onbetrouwbaarheid’. Ik kan me niet voorstellen dat het piepjonge D66 44 jaar geleden een politiek café zou hebben georganiseerd in een katholieke kerk.

Aan dit roerige verleden moest ik terugdenken bij het lezen van een aankondiging op de website van D66 in Deventer. De tekst is als volgt: “D66 Deventer geeft iedereen de mogelijkheid om in discussie te gaan met Alexander Pechtold en de D66 lijsttrekker in Deventer, Marc-Jan Ahne. In de aanloop naar de raadsverkiezingen op 3 maart komt Pechtold op vrijdag 12 februari voor een discussieavond naar Deventer.

Hij wordt ontvangen in de grote zaal van de moskee aan de Smyrnadwarsstraat. Na een inleiding gaat de fractievoorzitter van D66 in de Tweede kamer in discussie met het publiek over uiteenlopende lokale en landelijke onderwerpen.

Omdat Alexander Pechtold ook ruime ervaring als raadslid en wethouder (in Leiden) heeft, zal hij verschillend zaken die in Deventer spelen zeker herkennen en erop kunnen reageren. Marc-Jan, de lijsttrekker van D66 in Deventer, zal hierbij natuurlijk ook een actieve rol spelen.

Iedereen is van harte uitgenodigd om deze avond bij te wonen en zijn of haar eigen vraag aan Alexander Pechtold of Marc-Jan Ahne te stellen.

Aanvang discussieavond

Inloop vanaf 19.30 uur, de avond begint om 20.00 uur met de korte inleiding, daarna volgt de discussie tot 21.00 uur.

Aanmelden voor de bijeenkomst is niet nodig.”

Helaas heb ik nergens een verslag gelezen over dit politiek café. Heeft Pechtold misschien verklaard dat islamitische politiek voor hem bestaat uit ‘1400 jaar onbetrouwbaarheid’? We weten het niet. Heeft hij zich uitgelaten over de apartheid in Deventer, waartegen de plaatselijke VVD protest heeft aangetekend? Dat zou mooi zijn. Zaten de mannen voorin en de vrouwen achterin tijdens de partijavond in de moskee? Ik denk het niet, want in dat geval had toch wel een opstandig D66-lid aan de bel getrokken.

Denkend aan de oprichters van D66 ben ik vooral benieuwd of er alcohol werd geschonken in dit politiek café. Ik vrees dat Gruijters en Hans van Mierlo, de aartsvaders van D66, een avondje stemmenjacht in de moskee niet hadden overleefd. Maar zij hadden weer geen stemadvies van het Turkse ministerie van geloofszaken nodig om boven de twee zetels te komen.

Carel Brendel