Thuis kan ik met dat gelul niet aankomen

Gerard_small_2
'La Grâce', Le Poët-Laval, 26160 La Bégude de Mazenc,
France, 10 Julij 1984

Lieve Netty en Bert,
Zeer veel dank voor je veelgelezen, zeer montere brief van 2 Mei jongstleden, die ik door uitstedigheid eerst thans kan beantwoorden.

Je weet zeer ontroerend op mijn Roomse bigotterie 'in te spelen', indien zulks goed Nederlands is. Ik hoop daarbij, dat je niet zelf aangetast bent door 'roomse koorts', zoals die aandoening in katholieke mediese kringen genoemd wordt. Een zeer hooggeplaatst Nederlands diplomaat in de Zuidafrikaanse stad J. is er ook mede besmet, evenals de echtgenote van een Zuidafrikaanse diplomaat in Den Haag. Nog twee of drie personen meer, precies heb ik het niet onthouden, maar ik heb alle betrokkenen zo veel mogelijk gerustgesteld door ze te verzekeren, dat het in bijna alle gevallen 'gewoon weder over gaat'. (Zoals ik als verpleger in het ziekenhuis in Londen tot àl te lastige patiënten zeide: 'Je gaat dood of je blijft leven – het zit altijd goed.')

Maar wie was er nog meer aangetast? Niet te geloven: de beroemde Zuidafrikaanse romanschrijver
Etienne Leroux, van onbesproken Calvinistiese afkomst: zijn overgrootvader was een Boerengeneraal, en zijn vader minister van Landbouw. Zodra het donker is, komen er wekelijks bij hem diverse zwartrokken wiskie drinken. (Overdag kan dat niet, zo levend is nog het antipapistiese sentiment.)
Op deze Leroux (63) zijn boerderij (22 Duizend Hectares) bij Koffiefontein, in de Vrijstaat, heb ik drie dagen gelogeerd. Hij is een soort Gerard Reve, die voortdurend tobt over God en de Dood, en hoe het verder moet, en die ook nog de één of andere fakkel aan de jongeren wil overdragen, waar ik geen behoefte aan heb. Hij bidt vóór het eten met diepe ernst vóór, waarbij men in Z.A. elkaars handen vasthoudt, teneinde een magiese kring te vormen. Zo behoort het ook, vind ik.

Het verblijf was een soort Bergman film. Hij, L., heeft inderdaad veel weg van mij, behalve dat hij tegen de rheumatiek altijd een dikke zwarte overjas uit 1928 aan heeft, en binnen en buiten een pikzwarte zonnebril draagt. Zijn kop bestaat grotendeels uit baard. Ik noemde hem meteen Leo Nikolajewits, en 'heer Graaf', en iedereen zoude in mijn geval hetzelfde gedaan hebben, ik bedoel ieder enigszins geletterd persoon met een En Zie Klopedie in huis.

Oei, wat werd daar veel sterke drank gebruikt! Sommige mensen 'kunnen veel aan', maar het kan altijd nog spectaculairder. Ik sloeg één en ander met bewondering gaande. Zelf gebruikte ik slechts de rode Kaapse wijn Tassenberg, de lichtste die het land kent.

In een bocht van de corridor was van zwarte natuursteen een soort toonbank gebouwd, die veel gelijkenis vertoonde met de balie van een hotel. Daarop stonden elke avond drie grote schuimplestik koelemmers met ijs, en een groot aantal literflessen wiskie. IJs voor 100 mensen, maar de bedienden begrijpen niet waar dat ijs voor is. 'Een beetje ijs' betekent alle ijs uit alle koelkasten en alle diepvriezers.
Men verwijderde zich elke twintig minuten diskreet uit de salon om zijn ledige kwartliter glas wederom te vullen.

Toch bleef iedereen tamelijk gewoon praten. (De Afrikaanders – met wie men bedoelt Nederlands sprekende blanken – zijn een zeer wellevend, gastvrij en daarbij diskreet volk: geen grove, boertige leut, maar wel een indringend, tragies gevoel voor humor, dat even de tijd nodig heeft om tot ontwikkeling te komen.) Elisabeth, Leroux zijn veel jongere tweede vrouw (47), erg lief, drinkt 2 ½ keer zo veel als hij, en wordt tegen het einde van de avond vreemd, met deels onbegrijpelijke door een lange, piepende onderbreking in het midden in tweeën gehakte zinnen. 'Ze hadden nooit aan de kleurlingen.... hèt... kiesrecht moeten ontnemen,' meende zij. 'Mensen die al 30, 40 … jaar.. gestemd hadden!'

'Wat de kaap betreft, heb je misschien wel gelijk.' stemde Leroux gedeeltelijk in. 'Maar verders weet ek nie of dit wel waar is nie.' Hij werd somber, omdat hij een zeer liefhebbende vader is voor zijn 56 man kleurlingen, van wie hij 34 zoude moeten ontslaan met 3 maanden loon, wegens de droogte. 'Maar ek kan dit nie doe nie,' legde hij mij uit. 'Waar moe dië mense na toe?' (Hij kan evenmin ergens naar toe.)

'Hoor eens, Leon Nikolajewits,' meende ik te moeten zeggen, 'het zijn moeilijke tijden – dat lijdt geen twijfel. Maar apartheid of geen apartheid, is dat het probleem? Zijn niet de vreze Gods en een moedig vertrouwen op Zijn Genade de eerste en de laatste dingen, die geboden zijn? En heeft hij ons niet Zijn Trooster, de H. Geest gelaten, Die volgens Zijn eigen belofte (die toch waarachtig en getrouw is) met ons zal zijn tot aan het einde der wereld? Ik geraakte enorm op dreef. Thuis kan ik met dat gelul niet aankomen.

'Ja, natuurlijk,' beaamde Leo N. haastig, en een beetje beduusd, want hij wordt overstroomd met brieven van zijn 'jongeren', die beweren dat er geen God is, en dat alles 'uit een knal' of 'uit een ammoniakwolk' is ontstaan, enz.enz.

Ik was zelve evenzeer ontroerd als hij. Ik had 1 ½ fles op. Als ik gedronken heb, en ik denk dan aan Godt, dan worden mijn ogen vochtig. Denk ik vervolgens aan Zijn Moeder (de 'Verloste, Verheerlijkte, voor eeuwig Gekroonde'), de grote eeuwige Godin, van het Leven, van de Vruchtbaarheid, van de Liefde en van de Dood, dan stromen mijn tranen neder. (Wist jij dat Zij, volgens 'toegestaan geloof', geheel buiten medeweten van Haar eigen goddelijke Zoon, soms in de Hel afdaalt om een verloren ziel te redden? Maar dit terzijde, en strikt vertrouwelijk.)
(…)

Gerard Reve (uit Moedig Voorwaarts, Brieven aan Bert en Netty de Groot 1974-1997, pag. 330-332, bezorgd door Nop Maas, Uitgeverij L.J. Veen, Amsterdam/Antwerpen) Bestellen?

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen